woensdag 27 november 2013

Kasteel van Trazegnies

Algemeen zicht op het kasteel van Trazegnies
Trazegnies, die een niet onbelangrijke gemeente is in de buurt van het Henegouwse Fontaine-l'Evêque heeft als trekpleister het eeuwenoude historisch kasteel. Het kasteel is meer dan tien eeuwen oud en werd in de jaren 1500 volledig hersteld.

Top oude toren ernstig bedreigd door instorting
Het behoorde ooit toe aan welstellende families, baronnen en nadien aan markiezin de Trazegnies. Bovendien heeft het kasteel een grote geschiedkundige waarde en wordt in België als een der meeste merkwaardigheden gerekend.

Veel is er terug te vinden in de literatuur over de heren Trazegnies. Een van deze invloedrijke heren vergezelde zelfs in 1096 Godfried van Bouillon op zijn kruistocht. In de jaren 1170 en 1250 werden op de terreinen van het kasteel sierlijke steekspelen gehouden.

De ingestorte Noordelijke muur tussen
de Sint-Laurentiuskapel en de oude
Noord-Westelijke hoektoren.
De heerlijkheid Trazegnies werd in 1614 door aartshertog Albert tot markgraafschap verheven. Het verwantschap van de familie de Trazegnies reikt tot in de hoogste adellijke huizen van België. Ondanks dit gegeven stortte een gedeelte van het kasteel in.

Daardoor werd de oude top van de toren hevig bedreigd en bleef er van de Noordelijke muur, die tussen de oude Westelijke hoektoren en de Sint-Laurentiuskapel gebouwd was nagenoeg niets meer over.




Bron:
Zondagsvriend 21-01-1934
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Pater Jan Neyen 1570-1612



Pater-onderhandelaar Jan Neyen in burgerkledij
Het portret dateert van 1608
(aetatis suae 38) naar een
schilderij van van Mierevelt,
gegraveerd door J.Muller
Hoewel de wortels van Jan Neyen in Luxemburg lagen werd hij in 1570 te Antwerpen geboren. Zijn vader, Marten Neyen was in 1574 als klerk werkzaam bij het Antwerpse rekenhof. Als Calvinist zou hij een groot aandeel gehad hebben in het complot tegen Requesens, die in overleg werd gesmeed met de prins van Oranje. Het complot werd echter ontdekt en Marten kon dankzij  de stadsgriffier, Willem Martini aan zijn achtervolgers ontsnappen.

Zijn zoon Jan, die opgevoed werd in het Calvinisme, keerde zich als jongeling daartegen volledig af, trad in het klooster van de Minderbroeders-Recoletten van Antwerpen en werd er in 1590 geprofest. Het duurde niet lang of hij werd als gardiaan verkozen binnen zijn geloofsgemeenschap te Brussel. Na zes jaar deze functie vervuld te hebben, werd hij aangesteld tot commissaris-generaal van de Orde voor de Duits-Belgische en aangrenzende provincies.

Het waren de aartshertogen Albrecht en Isabella, die Jan te Brussel hadden leren kennen, hem in 1606 opdroegen met de opstandige Noord-Nederlandse Staten te onderhandelen, om een wapenstilstand of vrede te bewerkstelligen. Met buitengewone bekwaamheden en pientere doorzichtige doorzettingsvermogen wist hij-na veel moeite-als geen ander zijn taak te vervullen en kon hij naar Madrid afreizen om er de koninklijke goedkeuring ervan te bekomen.

Op 2 april 1608 ondernam hij deze reis en kwam na veertig dagen terug naar Den Haag met de nodige machtigingen. Tijdens zijn onderhandelingen droeg hij niet zijn paterspij, maar zijn burgerkledij met de toevoeging van de emblemen der ascetische meditatie (zie zijn portret).

Er werd besloten om te Antwerpen verder te onderhandelen. Pater Neyen, kwam op 5 februari 1609 aan in zijn geboortestad en werd er door de magistraat plechtig ontvangen. Er werd met enige duidelijkheid vastgesteld, welke de hoge betekenis van zijn geleverde werk was, die trouwens naar een goed einde verliep.

De onderhandelingen en besprekingen van 10 februari 1609 leidde ertoe, dat het Twaalfjarig Bestand op 9 april van datzelfde jaar werd ondertekend. Onder het geluid van de jubelklokken trok Jan Neyen zijn patersgewaad terug aan en werd gewone ordebroeder.

Lang duurde het niet of de vorsten deden terug een beroep op hem. Vanuit Rome, waar hij eerder het algemeen kapittel van zijn Orde had bijgewoond, werd Jan naar Madrid gestuurd. De taak, die hem daar door de koning werd opgedragen, kon hij echter niet tot een goed einde brengen. Pater Jan Neyen overleed in Spanje op 20 november 1612.

Bronnen:
Zondagsvriend 07-02-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

dinsdag 26 november 2013

Cornelis Mens



Patriot Cornelis Mens
Cornelis Mens
Uit het huwelijk van zijdekoopman Cornelis Mens en Maria Theresia Stoopen, woonachtig op de Melkmarkt werden Michiel Jozef Frans Mens op 30 augustus 1749 en Cornelis Jacob Jozef Mens op 2 mei 1752 geboren. Beide broers werden gedoopt in de O.L.V. Kerk in het Noordkwartier en gingen door het leven als Frans en Cornelis Mens .

Beiden zijn met hart en ziel begaan met de ontwikkeling van de ambachten. Cornelis is er opperdeken van het Hoofdambacht der Meerseniers en heeft de taak het ambachtswezen te verdedigen tegen de vernielende politiek van Brussel.

Naast Petrus van Eupen (1744-1804) waren de gebroeders Mens de vooraanstaande figuren tijdens de Antwerpse opstand tegen de Oostenrijkers. De patriottentijd in de Antwerpse geschiedenis was een kolfje naar de hand van Hein Van der Noot met een eigen Vonckistische toon. Dit zorgde ervoor, dat de gebroeders Mens niet tot hun recht kwamen. In de literatuur is er steeds sprake van een "zekere Mens", zonder, dat het vermoeden aanwezig is, dat het om twee verschillende personen gaat. Vandaar, dat er maar enkele nota's hier worden weergegeven.

Wanneer in 1787 de patriottische genootschappen begonnen tot ontwikkeling te komen, maakten beide broers deel uit van het "Groen Genootschap", dat in de "Gekroonden Steur" was gevestigd. Daarin hield men zich bezig met het verdedigen van 's lands privilege.

Op 4 augustus 1788 kwam Antwerpen voor een eerste maal in opstand tegen het Oostenrijks Bewind van Keizer Jozef II. Daarbij vielen er 21 doden en zwaar gekwetsten. De dag nadien namen de dragonders weerwraak. Men zou de bisschop publiek gevangen zetten...Werden verder gevangen genomen op de Meir: "notaris E.J. de Quertenmont en koopman Frans Mens. Verder werden pater Tourbé, advocaat De Visser en notaris de Lincé aangehouden, maar wisten te ontsnappen".

Op 27 september kreeg notaris E.J. de Quertenmont zijn vrijheid terug, maar Mens stelde zich zo vijandig op, dat hij vastgehouden werd. Toch wist hij te ontsnappen op 2 november, maar zijn vrijheid was van korte duur. Opnieuw werd gevangen gezet.

Intussen moesten de dekens der ambachten in februari 1789 verantwoording gaan afleggen te Brussel wegens hun opstandigheid. Cornelis Mens verscheen als eerste. Zijn broer Frans werd op 19 april 1789 te Brussel vrijgelaten en kwam met een zieke cellenbroeder te Antwerpen aan. Men werd er triomfantelijk ontvangen met een gebruikelijke aubade van destijds, dit ter verontwaardiging van de militairen.

Meteen kwamen beide broers aan het hoofd van hun beweging te staan. Wanneer de verkiezingen plaatsvinden voor de bevrijde Staten, dan wordt opperdeken Cornelis Mens van Antwerpen naar Brussel gestuurd. Zijn broer Frans, sneuvelde op 22 september 1790 tijdens de strijd tegen de Oostenrijkers in de functie van majoor en stond aan het hoofd van de Antwerpse patriotten te Bouvigne Assesse.

De hierboven afbeelding van Cornelis Mens werd in 1790 getekend door schilder A.B. de Quertenmont, die in het album van de leden der Staten werd opgenomen. Naar verluid is het de eerste maal, dat zijn portret in 1932 werd gereproduceerd. Aansluitend nog het volgende: "de patriotten van Antwerpen zijn door de jaren heen meer en meer verdonkeremaand geworden".

Bronnen:
Zondagsvriend 31-01-1932
Oud-Antwerpse¨Portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

maandag 25 november 2013

Pieter Jan Simons van Eupen 1744-1804

Petrus van Eupen 1744-1804
1744-1804
Petrus van Eupen werd op 12 november 1744 te Antwerpen geboren. Hij studeert theologie te Leuven en werd in 1766 priester. Met zijn priesterlijke titel werd hij verbonden met het familie-eigendom "de Meireminne"(meerminne), dat uit een grote hof bestond in de Durletstraat. Als professor gaf hij les in het Bisschoppelijk Seminarie gelegen aan de Schoenmarkt en werd kanunnik in het O.L.V. in 1775. Kort daarna werd hij deken "censor librorum" en groot-penitencier (groot-penitentiaris) in 1776.

Onder de geestelijkheid van Antwerpen was hij de leider van de beweging die tegen de hervormingen was van Keizer Jozef II en werd lid van het patriottisch comité van Breda. Hij, was er de raadgever van Hein van der Noot. In de patriottenperiode had Petrus de titel van "Secretaris der Verenigde Staten". Vervolgens bewerkstelligde hij het verbond tussen de Staten van Brabant en die van Vlaanderen tegen Keizer Jozef II. Op 18 december 1789, deed van Eupen samen met Hein van der Noot zijn triomfantelijke patriottenintrede te Brussel.

Op 11 januari (1790) werd van Eupen, Staatssecretaris van ons land. Zijn invloed deed hij zodanig gelden, met in het bijzonder zijn afkeer voor de Franse Revolutie en anti-Vonckisme. Dit belette hem niet om te Douai onderhandelingen te voeren met de Vonckisten. Dit werd hem echter kwalijk genomen door de extremisten binnen zijn eigen beweging. Ondertussen verzette het buitenland zich tegen de Brabantse Revolutie, die de opvolging van het land aan de opvolger van Jozef II verzekerde.

Een tevergeefse reis door van Eupen naar Den Haag om er de steun van de Hollandse groot-penitentiaris te krijgen. Doch van Eupen hield vol en probeerde de Europese diplomatie te overtuigen, dat werk moest gemaakt worden om België als onafhankelijk land te erkennen. Pas daarna kon er maar sprake zijn van herstel van de Oostenrijkse vorst als Hertog van Brabant.

Door de halsstarrige houding van Petrus van Eupen, keerden de Oostenrijkers zich tegen hem en kwamen met veel wapenvertoon terug. Van Eupen vluchtte daardoor naar Holland en keerde pas naar België terug tijdens de tweede Franse inval in 1794. Hij, werd als gijzelaar gevangen genomen en achtereenvolgens naar Rijsel, Parijs en Bicêtre overgebracht. In 1795 kreeg van Eupen zijn vrijheid terug en trok naar Jutfaas bij Utrecht. Daar overleed hij op 14 mei 1804.

Verder wordt er door Floris Prims verwezen naar de "Biographie Nationale", de "Wijkboeken der Markgravelei" en de "Kroniek van Antwerpen" door Van der Straelen.
Het hierboven weergegeven portret, dat door A.B. de Quertenmont werd ondertekend, heeft tevens in 1790 een groot portrettenalbum samengesteld van de leden der Staten van België (Etats Belgiques)

Bronnen:
Zondagsvriend 24-01-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

zondag 24 november 2013

Kasteelbrand Van Nieuwenhoven in 1932

Kasteel van Nieuwenhove voor de brand
Kasteel van Nieuwenhove voor de brand
In de tweede helft van januari 1932, woedde een hevige brand in het kasteel van Nieuwenhoven nabij Sint-Truiden, dat eigendom was van baron des Moffarts. Het was zijn schoondochter en weduwe des Moffarts, die na een feest thuiskwam van Hasselt, zag, dat het kasteel in brand stond.

Desolaat beeld van de voorgevel van het kasteel
De voorgevel van het kasteel na de brand
De zijgevel
De zijgevel
Hulp werd ingeroepen van Sint-Truiden en van Hasselt. Wanneer de spuitgasten echter ter plaatse toekwamen stond het prachtige kasteel in lichterlaaie. Zij stonden voor een hopeloze opdracht en probeerden de omliggende gebouwen te vrijwaren.

Het overgrote gedeelte van het kasteel was ongeveer zeventig jaar oud. Het oude gedeelte, dateerde echter uit de jaren 1600 en bleef grotendeels gevrijwaard. Alles binnenin het kasteel werd verwoest. Kostbare tapijten, oude meubelen, zeldzame kunstvoorwerpen... werden vernietigd. De schade was onoverzichtelijk en niet te schatten.
Sfeerbeeld van de uitgebrande toren
Een van de uitgebrande torens
 

Over de oorzaak, tastte men in het duister. Men vermoedde, dat de brand zijn ontwikkeling vond in een oude schouw en daar tot ontwikkeling is gekomen. Men had deze schouw, die jaren in onbruikbaarheid was gesteld enkele dagen voordien weer in dienst gesteld.
 

Het  kasteel stond toen bekend als een der schoonste praalgebouwen uit de streek. De muren bleven intact en konden heropgebouwd worden. Dit kon niet gezegd worden van het kostbare meubilair.


Algemeen zicht van het kasteel na de brand
Het tot puin herleide kasteel

Bron:
Zondagsvriend 31-01-1932
 Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.



De brandramp van circus Sarrasani te Berchem in 1932




De tot puin herleide kleedkamers
De kleedkamer in puin herleid
Tijdens de nacht van dinsdag 12 op woensdag 13 januari 1932, vond er een ware brandramp plaats in het circus Sarrasani, die zich opgesteld had op de militaire terreinen te Berchem.

De oorsprong van de brand moet ontstaan zijn in de kleedkamer. Daar lag voor ettelijke miljoenen oude Belgische franken aan gewaden opgestapeld. Het was een dienstdoende nachtwaker, die tijdens zijn ronde, de pas ontwikkelende brand opmerkte en vlammen zag opstijgen uit het dak van de kleedkamer. Onmiddellijk werd er alarm gegeven.

Desolaat beeld van de olifantenstallen
De vernielde stal van de olifanten
De ter plaatse zijnde circusbewoners en de brandweer van Berchem, die snel ter plaatse waren, probeerden om de vuurhaard, die zich snel uitbreidde nog te doven. De waardevolle kleedkamer stond toen al in lichterlaaie.

Ondanks de bovenmenselijke inspanningen kon niets worden gevrijwaard. Krachtige rukwinden met een orkaankracht, zorgden ervoor, dat vuurgensters terechtkwamen op de stallen waarin de olifanten zich bevonden. Het duurde niet lang of ook deze vielen ten prooi aan de vuurmassa.


Olifant "Prinses", bezweken aan zijn opgelopen verwondingen
Olifant "Prinses", die aan de opgelopen
verwondingen overleed.
Toegesnelde circuslui, deden verwoede pogingen om de zenuwachtige tweeëntwintig kolossen nog van hun kettingen te bevrijden. Te weten, dat ieder dier met twee poten aan loodzware kettingen vastlagen. Ondertussen vielen niet alleen brandende lappen zeil op de ruggen van de olifanten, maar had ook hun bed van hooi en stro vuur gevat, wat de reddingspogingen levensgevaarlijk maakten.

Toch slaagde men erin alle dieren te bevrijden en sloegen een tiental olifanten op de vlucht, richting tentoonstellingsterreinen. Olifant "Prinses", viel van een hoge muur in een vesting achter de kazerne van de Genie.

Met uitzonderlijke viel moeite kon men de kolos weer op de begane grond krijgen, maar was zodanig zwaar toegetakeld van zijn opgelopen brandwonden en een geweerschot boven zijn oog, dat het de dag nadien overleed. Ook olifant " Adèle" zou aan haar opgelopen verwondingen overlijden. In totaal liepen tien olifanten brandwonden op. Lang was er gevaar aanwezig, dat de vuurzee ook de tijger- en de leeuwenhokken in hun greep zouden krijgen.

Circusartiesten helaas op zoek naar hun bezittingen
De circusartiesten op zoek
tussen de restanten naar
eventuele overblijvende
bezittingen, maar helaas!

Wanneer de dag nadien, de overblijvende circusmensen, die in de stad logeerden, ter plaatse kwamen, konden zij alleen maar lijdzaam toekijken, hoe al wat zij maar bezaten, vernield zagen zien. Velen onder hen waren volledig geruïneerd, daar zij al hun spaarcenten in hun koffers hadden gedeponeerd.

De schade bedroeg meer dan vier miljoen oude Belgische frank (ongeveer 2.200.000 euro nu), waarvan een vierde maar door de verzekering werd gedekt. Wat de schade aan de dieren betrof en ook aan de twee dode olifanten kon men geen uitsluitsel geven.

Over de oorzaak, was men het eens, dat het om geen kortsluiting kon gaan, daar de stroom was afgesloten tijdens de nacht. Twee denkpistes werden er door het Parket weerhouden, namelijk:
"onvoorzichtigheid vanwege het artiestenpersoneel, die in de kleedkamer nog zouden kunnen gerookt hebben of kwaad opzet".

Brontekst:
Zondagsvriend 24-01-1932
Noel De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.


De Tempelierstoren te Nieuwpoort


De Tempelierstoren van Nieuwpoort, die uit het oogpunt van kunst van weinig of geen betekenis betekende, had daar tegen over wel enige historische achtergrond. Zijn vierkante in bakstenen opgetrokken bouwstructuur telde vier verdiepingen. Een trap door de in de buitenwanden aangebrachte verlichte schietgaten, verleende er toegang. Daarbij zorgden versterkte hoge steunmuren dit statig bouwelement.

Tempelierstoren voor de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918
De Tempelierstoren voor
de Eerste Wereldoorlog
Pentekening  H. Levecque

In een ver verleden, maakte het deel uit van een kerk, dat toebehoorde aan de monniken "Ridders van de Orde der Tempeliers", die zich destijds in de streek bezighielden met het droogmaken  van de Polders. Met de uitbreiding van de Nieuwpoortse bevolking, werd deze kerk tot tweede parochiale kerk verheven en aan de H. Laurentius toegewijd.

De tot puin herleide Nieuwpoortse tempelierstoren tijdens 1914-1918
De Tempelierstoren tot puin herleid
tijdens de Eerste Wereldoorlog
 van 1914-1918
Pentekening H. Levecque

Toen de Engelsen in 1383 de stad Nieuwpoort bestormden, staken zij alles in brand en bleef er van de kerk enkel de toren, waarvan sprake, over. De Duitse houwitsers zorgden er tijdens de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918 voor, dat alles in puin werd herschapen.

Sommigen beweren, dat er aan de ingang binnen de toren een zichtbare onderaardse gang moet zijn, die zou lopen tot aan de hofstede "Tempelhof". Het was een afhankelijkheid van de Tempeliers gelegen te Slijpe, waarbij de monniken gebruik maakten van deze ondergrondse gang gedurende vervolgingen en oorlogen.

Tijdens Wereldoorlog I, werd de vrees geuit door de Belgische Legerstaf, dat de Duitse troepen, die tussen deze twee gebouwen lag, deze gang zouden kunnen gebruiken voor een verrassingsaanval te plegen op de Belgische stellingen. Hun vrees was weliswaar ongegrond, daar de eeuwenoude vluchtgang in zeer vervallen staat verkeerde. (H.L.)

Brontekst:
Zondagsvriend 12-06-1932
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

dinsdag 19 november 2013

Jan Baptist (Marcarius) Simeomo 1616-1676



Jan Baptist (Marcarius) Simiomo 1616-1676
Jan Baptist Simeomo
1616-1676
Hij, werd als zoon van de Turijnse koopman Marco-Aurelio en van Sara de la Chambre op 13 mei 1616 te Antwerpen geboren. Jan Baptist studeerde bij de Jezuïeten te Antwerpen en trad op 16-jarige leeftijd in de abdij van Sint-Michiels, waar zijn professie plaatsvond op 2 februari 1634. Toen hij twintig jaar oud was, kreeg hij onderricht in de wijsbegeerte.

Te Leuven kreeg broeder Marcarius, van Joannes à Lapide-die trouwens één van zijn voornaamste leraars was-les in de Godgeleerdheid. Hij haalde er zijn licentie en werd in 1640 tot priester gewijd.

Kanunnik Marcarius bleef een tijdlang onderpastoor te Antwerpen-Meir, in de Kempen, waar kanunnik Overhusius zowel zijn Antwerpse professor als pastoor was. Spoedig keerde hij naar Antwerpen terug, om professor in de theologie te worden.

Vanaf toen stond zijn godsdienstig leven in de strijd om het boek van Jansenius. Simeomo liet zich niet onbetuigd en trok zelf ten strijde met een aantal theologische schriften, waarvan het eerste in 1647 verscheen, dat te wijten was aan vrijheid, genade, predestinatie en voornamelijk aan pastoraaltheologie.

Ook schreef hij ten dienste van Sanderus de geschiedenis van de Sint-Michielsabdij, dat ingebonden werd in de "Brabantia Illustrata". Daarenboven hield hij zich ook bezig met hagiografie. Daarmee bezorgde hij de Bollandisten zoveel informatie, dat twee boekdelen van de "Acta Sanctorum" naar hem werden opgedragen. Ondertussen was Simeomo in 1663 tot abt van Sint-Michiels gekozen en nam als leuze het woordje "Vigila". Dit is ook de reden, dat er in zijn schild twee hanen naast twee leeuwen prijken.

Als lid van de Staten van Brabant voor een staatsie (praal en pracht). Hij liet er te Brussel een fraaie "herberg" bouwen. Dit met als doel, wanneer hij als abt van Sint-Michiels gedurende bepaalde dagen er daar diende te verblijven. Vermeldenswaardig is het feit hoe hij het Prelaatshof van het Kiel wist op te kalefateren, die in 1635 door brand werd verwoest. Hier en daar werd er her-en bijgebouwd en was de bezieler van de plantentuin in 1674 en aangelegde vijvers, die pas na zijn overlijden in 1676 in het hof werden aangelegd.

Simeomo, overleed op 12 april 1676. De Antwerpse stadsbibliotheek is in het bezit van enkele opgedragen werken aan Simeomo. Zijn portret, die hierbij wordt getoond is naar een gravure van Richard Collin, gemaakt in 1669 en blijkt een zeldzaam stuk te zijn.

De ooit gedane oproep om Wittestraat, "rue Blanche" te Antwerpen, die verwarring heeft met de Wittestraat te Berchem om te dopen naar de Simeomostraat vond blijkbaar geen gehoor. Het zou nochthans een passend eerbetoon zijn niet alleen naar de persoon zelf maar ook aan de inwoners van het Kiel.

Brontekst:
Zondagsvriend, 17-01-1932
Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims.

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey


Michiel Boudewijns 1591-1681

Laatste update: 31-12-2013


Genees-en heelkundige Michiel Boudewijns 1591-1681
Michiel Boudewijns
1591-1681
Michiel Boudewijns werd in 1591 geboren en verwierf enige bekendheid als genees- maar vooral als heelkundige. Over zijn vak schreef Michiel belangrijke Latijnse en Nederlandse werken, waarbij er daardoor bekendheid kwam door zijn verschenen gezondheidsboekje voor het volk: "Dienstigh ende genuchelyck tydtverdryf".

Vervolgens was hij ook schrijver van het Antwerpse "Collegium medicum ", waarvan hij ettelijke jaren de secretaris van was, vooraleer hij er aan het hoofd kwam te staan. Het Stadsbestuur benoemde hem tot medicijn-pensionaris en was tevens met de geneeskundige diensten van het gasthuis belast.


Michiel Boudewijns 1591-1681. Naar een schilderij van Antoon Van Dyck.
Michiel Boudewijns
1591-1681
In 1664 was Boudewijns reeds voorzitter van het "Collegium medicum" en werd zijn beeltenis door Abraham van Diepenbeeck (1596-1675) neergetekend. Het portret werd door Petrus Clouwet gegraveerd. Michiel Boudewijns overleed in 1681.

In januari 1935 werd door historicus Erik Burg Berger een schilderij teruggevonden van Michiel Boudewijns, dat door Antoon Van Dyck werd geschilderd in 1631. Men wist van het bestaan af, maar het schilderij bleek verloren te zijn gegaan. De bekende Weense Van Dyck-kenner, Dr. Gustav Gluck, liet weten, dat het om een waardevol schilderij ging en hoog inschatte.

Meer over Michiel Boudewijns is terug te vinden in "Broeckx, Eloge de Michel Boudewyns"
, (Annales de la Sociètè de Médicine d'Anvers, janvier 1845).

Bronnen:
Zondagsvriend 10-01-1932 en 19-05-1935
Oud-Antwerpsche Portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

maandag 18 november 2013

Brussel, Brand Ministerie van Openbaar Onderwijs in 1947

Ministerie van Openbaar Onderwijs te Brussel in lichterlaaie in 1947Op 24 juni 1947 omstreeks 15u00  brak er brand uit in het departementsgebouw van het Ministerie van Openbaar Onderwijs. Bij het uitbreken van de brand, dat zijn oorsprong had in de kelders van het gebouw, waren er 500 ambtenaren aanwezig.

Gevaarlijke reddingen via de brandladderVia het trappenhuis verspreidde de vuurzee zich razendsnel naar de bovenliggende verdiepingen. Daardoor raakten de vluchtwegen verspert en moest men naar het dak vluchten om zich in veiligheid te brengen.

Kort na de oproep waren er 53 manschappen ter plaatse en zou deze getalsterkte oplopen naar 74 man waaronder 4 officieren onder het bevel van majoor Morand.

De reddingen zouden 45 minuten in beslag nemen. Daarbij dienden de brandweerlui enorme inspanningen en ware heldendaden te verrichten.

Talrijke slachtoffers worden geëvacueerdOndertussen waren de drie ambulancewagens volop bezig met het vervoeren van de slachtoffers. Ongeveer 150 mensen werden gered, een dertigtal werden er gewond en er vielen 18 doden te betreuren.

Brandweeropstellingen en vrijwaren van het archief in de LeuvenstraatPas nadat de reddingswerken voltooid waren, kon men uiteindelijk de ladderwagens van respectievelijk 42, 2 x 30 en van 18 meter inzetten voor de blusoperaties samen met de  6 autopompen.

Het hoogtepunt om deze immense vuurzee te overmeesteren lag tussen 16u30 en 17u00. Eventjes werd er gevreesd voor uitbreiding naar de gebouwen van het Staatsblad, maar kon tot stand worden gebracht.

Sinistere taferelen tijdens de bluswerken





















Bronnen:

De Kroniek van België
Le Patriote Illustré van 6 juli 1947
Brandbestrijding in Brussel-Jean-Paul Dockx

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

woensdag 13 november 2013

Gents Justitiepaleis tot puin herleid in 1926



Bluswerken langsheen de Ketelvest
Zijgevel van de Ketelvest
In het Staatsblad van 4 augustus 1832 verscheen een wet, dat de oprichting van een Beroepshof te Brussel, te Gent en te Luik voorzag. Destijds bestond er in Gent een Tribunaal van Eerste Aanleg, die zittingen hield in het voormalig Jezuïetenklooster gelegen in de Volderstraat en waar er een meisjesschool gevestigd was.

Brandweer waarlijk machteloos
Brandweer, waarlijk
onmachtig tegen de
immense vuurzee


In het Stadhuis van Gent werden de zittingen gehouden voor zowel het Assisenhof, de Handelsrechtbank en het Vredegerecht. Maar een Justitiepaleis, dat was er toen nog niet. Zelfs het Hof van Beroep kwam nog enkele zalen opeisen in het Stadhuis voor hun zittingen en werkzaamheden.



Desolate beelden van de grote wandelzaal met historisch verlies van schilderijen en beeldhouwwerken
Desolaat beeld van de grote wandelzaal,
die zijn prachtige schilderijen en
beeldhouwwerken vernield zagen zien.
Alleen het portret die Maria Theresia
voorstelde kon worden gevrijwaard.
Daardoor stelde de Eerste Voorzitter  Charles Massez voor, om een eigen Justitiehuis op te richten, op de terreinen waar het klooster en de kerk der Recoletten tot in 1798 was ingeplant en daarna werd gesloopt.

Het voorstel werd in de gemeenteraadszitting van 21 januari 1835 aangenomen. Het bestek werd door de stedelijke bouwmeester Lodewijk Roelandt opgemaakt, die de verzekering gaf, dat de voorziene kosten de som van 820.000 Belgische fr. toen niet zouden overschrijden.

Redden wat er nog kon worden gered
Redden, wat nog te redden viel


Met de bouw van het Justitiepaleis werd in 1836 gestart. Tien jaar waren nodig om het imposant gebouw te af te werken. De plechtige inhuldiging vond plaats op 19 oktober 1846. Amper tien uren waren er nodig om het praalmonument in maart 1926 tot puin te herleiden.


Tien jaar had men nodig om het justitiepaleis te bouwen. Amper tien uur waren er nodig om alles tot puin te herleiden

Brontekst:
Ons Land van 27 maart en 3 april 1926
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Brand krankzinnigengesticht Ieper 1912

Op zaterdagmorgen 3 februari 1912, brak er brand uit in het krankzinnigengesticht van Ieper gelegen langsheen de Lange Torhoutstraat. Van zodra de brand werd opgemerkt aarzelde de bestuurder niet om samen met zijn secretaris en zijn veertig medewerkers aan de redding te beginnen en het in veiligheid brengen van de 340 minder begaafden, die in alle omstandigheden kalm bleven. De wasserij, het onderzoekscentrum, de zieken- en slaapzalen werden volledig verwoest. De schade bedroeg destijds 100.000 oude Belgische frank. Dit zou nu neerkomen op ongeveer 450.000 euro.

Sfeerbeeld tijdens de brand van het Ieperse krankzinnigengesticht in 1912

Bron: 
Ons Volk Ontwaakt 17-02-1912

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Joost Mattelaer 1616-1687





Judocus Mattelaer, Prins van de kamer van het H. Kruis
Judocus Mattelaer
Prins 1646*
Joost Mattelaer werd in 1616 geboren. Meer over deze Kortrijkse volksman, die een smid was kan men lezen in het oude "Guldebouck der Cruysbroers". Hoewel hij tot het ambacht der smeden behoorde schreef hij veel. Als factor der Kruisbroeders leverde hij:

1° 't Spel van Prudentia Generosa;
2° Mauritius, keyser van Constantinopelen;
3° Lyderick de Buck, graeve van Vlaenderen.

De "Cortryksche Poëzie", die zich te Brussel bevind, bevat zestien refereinen en balladen van hem.Vermoedelijk hebben deze gedichten deel uitgemaakt van prijskampen. Hier enkele alinea's uit zijn "bloedige ommegang":

"Comt, broeders, laet ons gaen, den drouven wegh betreden.
Waer onse Heer en Godt zoo bitter heeft gheleden!
Begint uyt dees capel waer Hy den maeltijdt doet.
Daerin dat Hy ons geeft zyn weerdigh vleesch en bloet..."

* Prins van de kamer van het H. Kruis. Vervolgens schreef men er nog bij: "Binnen syn leven poët van de redenrycke gulde van de Cruysbroeders".

Hierbij het vermoeden, dat Mattelaer een vroom man moet zijn geweest. Zijn schrijfvormen, waren noch beter, noch slechter dan de rijmen van zijn tijdsgenoten. Hij, overleed op 28 augustus 1687 te Kortrijk. De blauwe ingemetselde steen in de muur van de St.-Maartenskerk werd met volgend grafschrift voorzien:

H.L.B
Joos Mattelaer,fs Jans
Vertoeft wat, die hier voorbij gaet;
Bidt voor de ziel van Al-met-Raet;
Dees letters keert, 't is Mattelaer.
Kent gy hem niet? Gheraedt er naer.
Hy heeft oock in zoo menich dicht
Niemant beschaemt, niemant ontsticht.
In syn leven was hy een smedt;
Dies hem gedenckt in uw ghebedt;
Bidt dat hy mach met Godt hier na
Bedichten 't blijd Alleluya.
Obüt 28 Aug. 1687
R.I.P.
Brontekst:
Ons Land 22 janauri 1927 (Th. Stevens)
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.





dinsdag 12 november 2013

Kortrijks kunstenaar Jan-Baptist-Jozef-Nicolaas Hofman 1758-1835

Jan-Baptist-Jozef-Nicolaas Hofman werd uit een schoenmakersgezin op 2 maart 1758 geboren. Zijn vader wou, dat zijn zoon in zijn voetsporen zou treden, maar wilde eerst, dat hij van voldoende onderwijs kon genieten. Iets wat een simpele burger toen aan zijn kinderen wilde of kon veroorloven.

Toneelschrijver en speler Jan-Baptist-Jozef-Nicolaas Hofman (1758-1835)Als jonge knaap ging hij naar een Vlaamse school en kenmerkte zich door zijn ijver en snelle geest. Wanneer zijn vader hem nodig had tijdens zijn werkzaamheden, onderbrak hij zijn lessen zonder ze vaarwel te zeggen en na hulp geboden te hebben, nam hij 's avonds zijn boeken om er afgezonderd verder te studeren. Ook zijn vrije tijd werd benut voor zijn verdere ontwikkeling terwijl andere leeftijdsgenoten zich aan ontspanning waagden.

Zijn studies vervolmaakte hij in het Frans. Iets, dat hij zichzelf had opgelegd. Hij drong zo ver door, dat hij enige tijd later het treurspel Maria Stuart in Vlaamse rijmen vertaalde. Door het opstellen van allerlei gelegenheidsverzen begon hij als jongeling een zeker aanzien te verwerven in Kortrijk. Het duurde niet lang of hij kwam in contact met voorname edelmoedige raadgevers en beschermheren. J.B. Ovyn, die een priester en als zendeling in Holland actief was behoorde tot zijn kring. Bij het overlijden van priester Ovyn in 1799, zong Hofman hem dankbaar toe: "Ik hoorde hem de kunst des grooten Vondels prijzen..."

Op 22-jarige leeftijd ondertekende Hofman de standregels van de Kruisbroeders en begon daarna toneelstukken te schrijven. Zelf stond hij op de planken als speler. In 1788 werd zijn eerste stuk vertoond: "De ware Vaderlander". Zijn eerste rol, die hij vervulde, was deze van Artaban in het toneelstuk "Antaxereces" en muntte uit in deftige vaderrollen.

Zijn bloeiperiode duurde van 1810 tot 1828. In 1811 won hij zekere zeven onderscheidingen; in 1812 waren het er vijf; in 1816 drie; in 1818 vier; in 1820 terug vijf; in 1821, 1823 en 1824 ieder jaar vier; in 1826 terug vijf en in 1828 drie. Bovendien behaalde hij 65 eremetalen, waarvan 41 eerste prijzen.

Op 31 december 1799 trad J.-B.-J. Hofman in het huwelijk met Maria-Joanna van Dommele en kregen acht kinderen. Een dochter van hem Clara-Anna (1802-1827) was zelf gedurende enige jaren een bewonderenswaardig toneelliefhebster. Een zoon Florentijn was in 1843 actief als geheimschrijver van de "Maatschappij der schoone kunsten" en nadien was hij als griffier van het Vredegerecht verbonden te Avelgem.

Volgens een geboorteakte uit 1801, was de vader als herbergier actief en bezorgden zijn vrienden hem een kleine post ten dienste van de stad. Op 29 juni 1810 deed hij zijn eerste ronde als...belleman.

De bejaarde Hofman werd op 24 juli 1835 door een beroerte getroffen, terwijl hij bezig was aan een onvoltooid gedicht over Willem I. Hij, overleed een week later op 2 augustus 1835 en werd begraven op het Magdalenakerkhof naast de kapel. Ook zijn vrienden van de Ghinste, de Jonghe en van de Wiele rusten naast hem. De stad schonk de grond terwijl de Kruisbroeders het jaar daarna een eenvoudig gedenkteken bekostigden.

Brontekst:
Ons Land 22 januari 1927 (Th. Stevens)
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.


Belgische honderdjarige oud-strijders tijdens het Frans Keizerrijk en ervoor

Laatste update 17-09-2015

De Belgische honderdjarige strijders van Napoleon en uit vorige eeuwen

Het jaar 2014 zal in het teken staan van honderd jaar oorlog. Men zal immers de eerste Wereldoorlog van 1914-1918 overal in herdenking nemen. Binnen mijn verzameling van honderdjarigen zitten er namelijk heel wat Belgische oud-strijders bij uit de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918. Als ik nog wat verder in de tijd terug keer, stel ik vast, dat er ook honderdjarige Leopoldisten tussen mijn verzameling zitten. Vervolgens ook oud-strijders van 1830 en uit de Franse regeerperiode.

Andere merkwaardige feiten, die eerder werden beschreven door A. Verbouwe in zijn beperkte uitgave over West-Vlaamse Eeuwelingen 1189-1949, geeft het relaas weer van een zekere Alexander Goetgebeur (1089-1199?), die op 8 september 1199 in Ieper in het huwelijk trad met Marcelina De Breede (1099-1199?). Voor beiden was het hun zevende huwelijk. Alexander was op het ogenblik van zijn laatste huwelijk 110 jaar oud, terwijl zijn echtgenote honderd jaar en drie maanden oud was.

Het bruiloftsfeest, dat ruim acht dagen duurde werd door de kruistochtstrijdmakkers van Alexander Goetgebeur in vol ornaat en met wapens bijgewoond. Wanneer de gevierde en bejubelde oud-strijder overleed, werd niet achterhaald.

In de "Gazette van Gendt", van 1754 verscheen het lange verhaal en droevige lijdensweg van de in Brussel geboren D'Heer Kolonick (Maerte) (°1647) en te Roermond overleden op 6 maart 1754 en was ongeveer 107 jaar oud..

"Op jeugdige leeftijd, verliet hij zijn geboortestreek om als vrijwilliger toe te treden in het regiment van Strasser. Toen hij in 1683 deelnam aan de veldslag van Wenen tegen de Turken, werd hij er gevangen genomen door de Tartaren, die hem als slaaf door verkochten aan een Turkse boer nadat hij in erbarmelijke omstandigheden een jaar aan een stuk "kemels", kamelen had verzorgd. In de afgelegen streek boven de Zwarte Zee, waar er nergens sprake was van enige christelijke religie en zelfs geen andere mensen te bespeuren vielen, bracht hij er twintig jaar lang door in kommer en kwel.

Wanneer op een gegeven moment zijn meester en broeder in een woordenwisseling verzeild waren geraakt, werd D'Heer Kolonick, door de broer meegenomen naar het graf van Mahomet. Aangekomen te Constantinopel, wist hij te ontsnappen, maar werd opnieuw door zijn meester gevangen genomen, die hem vreselijk martelde door met gespleten stokken op de onderkant van zijn voeten langdurig te slaan. Zijn lijdensweg duurde veertien jaar om dan terug weer doorverkocht te worden aan een makelaar. Deze laatste, had hem eerder uit medelijden afgekocht en ook door het feit, dat onze Brusselaar de Duitse taal vloeiend kon spreken.

Te Temiswar (Hongarije), werd hij vrijgekocht door de graaf van Wallis en reisde hij van Wenen terug naar Brussel. Daar besliste het "Hof", om hem als invalide naar Roermond te sturen, waarbij hij de titel en betaling toebedeeld kreeg van "Capiteyn" voor de duur van zijn leven. Hij, wist zich daar op te monteren en huwde er  daar op 81-jarige leeftijd. Ondanks zijn lange lijdensweg die met martelingen gepaard ging, werd hij nooit ziek. Pas tijdens zijn laatste levensjaar, traden de ongemakken op, bleef hij langdurig te bed liggen, maar bleef tot op het einde van zijn leven helder van geest".

Vervolgens citeert diezelfde Verbouwe het relaas weer van, Jan Baptist Buyse, die in het Henegouwse dorpje Rozenaken in 1691 werd geboren. Gedurende 67 jaar was hij in de herberg "Het Kruysken" buiten de Gentse Poort te Kortrijk woonachtig, waar hij overleed op 26 april 1792. Jan Baptist streed met de legereenheden onder het bevel van Eugenius Van Savoye (1663-1736). In 1706 maakte Jan Baptiste de Slag van Ramillies mee in Waals-Brabant, de veldslag van Oudenaarde in 1708 en de bloederige veldslag bij Malplaquet in 1709.

Bronnen:
West-Vlaamse Eeuwelingen 1189-1949 van A. Verbouwe

Belgische 100-jarige oud-strijders uit het Frans Keizerrijk

Marlesse Lodewijk, die in 1770 werd geboren en van Franse afkomst was, vaarde ooit 
als scheepsjongen mee met het staatsschip "Océan" naar het eiland Réunion. Daar nam hij de biezen, om er in dienst te treden bij een rijke plantage-ondernemer, die hem als zijn eigen zoon aannam.

Oud-strijder Marlesse Lodewijk 1770-1874
Gazette van Brugge
14 februari 1874
In 1788 keerde hij naar Frankrijk terug, maar werd onmiddellijk van zijn vrijheid berooft en als deserteur aangehouden. Gedurende vier volle jaren zat hij opgesloten. In 1793 kreeg Lodewijk zijn vrijheid terug en werd als gevangenisbewaarder in de gevangenis der Karmelieten aangesteld. Ondanks de vele wisselvalligheden tijdens de Eerste Republiek bleef hij deze functie uitoefenen tot aan het Regime van dictator Napoleon I en werd vervolgens lijfwacht.

Vanaf dit ogenblik tot in 1817, maakte Lodewijk achtereenvolgens deel uit van vijf verschillende regimenten en nam deel aan de vele veldslagen. Eenmaal terug gekomen van het eiland Elba, werd hij bij een Zwitsers regiment tot 1830 als kantineverantwoordelijke benoemd.
Op zestigjarige leeftijd verhuisde hij naar het Henegouwse Courcelles, waar hij een klein huisje kocht en er verder leefde. Hij, leverde weliswaar het bewijs aan de toenmalige overheden, welke zijn rechten waren als aangenomen zoon van de welstellende planter. Lodewijk, bekwam daarvoor een toegekende schadevergoeding van 100.000 oude Belgische Frank.

Voor zover hij zich kon herinneren had Lodewijk geen familieleden meer.Als voormalig oud-strijder van het Franse Keizerrijk overleed hij te Courcelles vermoedelijk in februari 1874 en was hij reeds 103 jaar oud geworden. Of Lodewijk de Belgische nationaliteit aangenomen had, werd niet achterhaald.


Bidprentje Joannes Vanhoutte 1778-1879. Verzameling Leondyme
Joannes Vanhoutte
1778-1879
Brouckerius Florentijn Crispijn, die op 25 oktober 1777 werd geboren, werd samen met zijn vriend Joannes Vanhoutte, bij de Napoleonisten ingelijfd. Laatstgenoemde was afkomstig van Tielt en werd er op 29 januari 1778 geboren. Beiden wisten op een gegeven ogenblik de vlucht te nemen toen zij te Amiens gelegerd lagen en slaagden erin om terug thuis te komen.


Toen Florentijn als honderdjarige werd gevierd, nodigde hij zijn hoogbejaarde vriend met nog eens 170 genodigden uit om zijn jubelfeest te vieren, die te Zwevegem werd gehouden.

Joannes, die weduwnaar was van Agnès Boone, was sinds 1855 raadsman van zijn gemeente. Hij, overleed er op 4 februari 1879 te Meulebeke en werd 101 jaar en 6 dagen oud.

Oud-strijder Petrus Billestraeten (1783-1883) nam aan bijna alle veldslagen deel
Petrus Billestraeten
1783-1883
De in Leuven geboren Petrus Billestraeten, die op 2 juli 1783 het levenslicht zag, werd door pastoor Van Cauwenberg gedoopt.

Nadat zijn loting in 1800 plaatsgevonden had, werd hij bij het Franse leger ingelijfd en nam er deel aan bijna alle veldslagen van de Eerste Keizer. Ook de Slag van Waterloo stond op zijn palmares. Slechts eenmaal werd hij gewond.

Gazette van Brugge 25 juni 1883

Op 2 juli 1883, werd Petrus als honderdjarige gevierd in zijn geboortestad. Dit ging gepaard met een heuse feestelijke optocht, waarin de jubilaris plaatsgenomen had in een open gala-koets, die ter beschikking werd gesteld van hertogin d'Arenberg.


Petrus, overleed er op 13 november 1883 en werd 100 jaar, 4 maanden, 1 week en 4 dagen oud.

Nieuwsblad van Geel 20 augustus 1888
Jan Verhulst uit Wevelgem, die in 1888 de kaap van de honderd jaar reeds had overschreden, verloor zijn beide oren n.a.v. de vrieskou, nadat hij met de legers van Napoleon uit Moskou was teruggekeerd.


Oud-strijder Jean Joseph Goovaerts (1792-1893)
Jean Joseph Goovaerts
1792-1893
Koninklijk Museum
van het Leger en de
Krijgsgeschiedenis
Jean Joseph Goovaerts werd op 27 maart 1792 tijdens de Eerste Franse Republiek (1792-1804) te Weerde geboren. Wanneer in 1810 zijn militieloting plaatsvond te Vilvoorde, werd hij op 2 september 1812, toen Napoleon Bonaparte reeds lang de macht had en Keizer geworden was, bij een dragondersregiment ingelijfd.

Daar paarden toen zeldzaam waren, diende Jean Joseph met andere makkers zich te voet via Brussel, Leuven, Tongeren, Maastricht, Aken... naar Bremen te reizen. Daar werden zij allen van paarden voorzien. Jean Joseph, die stamnummer 93 toegewezen kreeg vervoegde zijn eenheid dat, onder het bevel was van Maarschalk Louis Nicolas Davout (1770-1823), die te Hamburg gelegerd lag.


Le Progrès 30 maart 1893. Verzameling Leondyme
Le Progrès, 30-03-1893
In 1813, na de veldtocht in Rusland werd Hamburg belegerd door de geallieerden. de dragonders kregen eerst de opdracht, om de boventallige inwoners de stad uit te drijven, dit om mondvoorraden te besparen. Ondanks dit gegeven, kwamen toch nog heel wat families om van de honger.Op bevel van Lodewijk XVIII (1755-1824), die de legers van Napoleon overwonnen had, moest de onverslagen Maarschalk Davout, Hamburg in 1814 verlaten.

De Slag van Waterloo, maakte Joseph niet meer mee, daar de legertroepen gedeeltelijk werden ontbonden en hij als soldaat niet meer opgeroepen werd.

Jean Joseph keerde naar België terug en trad op 15 oktober 1816 te Zemst in het huwelijk met de vijf jaar oudere Joanna Maria Bal (1786-1838), die als dienstmeid werkzaam was en kreeg met haar met zes kinderen. Tot aan zijn pensioen gerechtigde leeftijd oefende Jean Joseph het beroep uit van landbouwer.

In 1892, werd Jean Joseph, die reeds bij zijn dochter inwoonde, in zijn geboorteplaats als honderdjarige gevierd. Een erkenning, die hij reeds eerder in ontvangst had mogen nemen in 1857, was de Sint-Helenamedaille, waar hij trouwens fier op was. Jean Joseph, overleed op 21 oktober 1893 en werd 101 jaar, 9 maanden, 3 weken en 3 dagen oud.


Een andere oud-strijder uit deze periode was Pierre Larmoyeux, die op 5 maart 1795 te Ransart werd geboren. Deze voormalige soldaat uit de republikeinse periode overleed er op 23 december 1895 en werd 100 jaar, 9 maanden, 2 weken en 4 dagen oud.

Nieuwsblad van Geel 7 maart 1896
Leonardus Meesters, werd op 22 maart 1796 in Eigenbilzen geboren. Zijn loting vond plaats in 1815 en werd daarna bij het 42ste bataljon der Nederlanden ingelijfd. In 1830 werd hij bij de Maréchausseé ingelijfd, maar na enkele maanden nam hij in oktober van datzelfde jaar dienst bij de gendarmerie.

In 1853, werd Leonardus als rijkswachter op rust gesteld. Tijdens de verkiezingen voor de Kamer in 1896 vervulde hij als honderdjarige nog zijn kiesplicht en deed dit zonder bril.

Oud-strijder Leonardus Meester 1796-1896
Leonardus Meesters
1796-1896
Bovendien was hij de laatste overgebleven Belgische oud-strijder, die slag hadden geleverd.

Leonardus, die weduwnaar was van Maria Catharina Bogman, overleed in zijn geboortedorp op 24 maart 1896 en werd 100 jaar en 2 dagen oud.
Den denderbode 26 maart 1896










Als laatste oud-strijder uit het Franse Keizerrijk, die in België overleed, maar van geboorte afkomstig was uit het Franse Saint Victurnien, was Pierre Theillet. Volgens de opgezochte bronnen, werd hij geboren op 7 mei 1787. Doordat Franse archieven vernietigd werden, kon Pierre nooit in het huwelijk treden met zijn vriendin, waarmee hij nochtans veel kinderen had.

Nooit heeft hij zijn eigen geboorteakte kunnen bekomen, die nodig was om in het huwelijk te treden. Pierre, overleed op 29 augustus 1891 te Jumet en werd 104 jaar, 3 maanden, 3 weken en 1 dag oud.

Bronnen:
Den denderbode, 24 juni 1883, 31 maart 1893 en 26 maart 1896
Le Progrès, 30 maart 1893
De Werkman,2 november 1877 en 6 juli 1883
Gazette van Brugge, 14 februari 1874 en maandag 25 juni 1883
Nieuwsblad van Geel  van 20 augustus 1888 en 7 maart 1891

©Noël De Mey





maandag 11 november 2013

Brandweerbevelhebber Eugène Braet 1857-1910

Eugène Braet, werd op 19 maart 1857 te Brugge geboren. Op 21-jarige leeftijd op 19 februari 1881 trad hij in dienst als luitenant bij het hernieuwd brandweerkorps o.l.v. Vincent Cocquyt (1850-1904). Beroepshalve was hij aannemer van lood-en zinkwerken en was woonachtig in de Steenstraat nr. 48.



Brugse brandweermannen behalen er een 1ste prijs in Engeland in 1907
Zittend in het midden achter de haspel
herkent men Eugène Braet met kepi. Links
van hem, lt. Alfred De Sloovere. Bovenaan
v.l.n.r., te beginnen bij de 2e brandweerman:
Edward Ghyoot, Camille De Bisscop en
Arthur Cardinael.Foto afkomstig uit het
 familiealbum van ©Luc Blanckaert
Na het eervol ontslag (wegens ziekte) van kpt.Vincent Cocquyt op 30 januari 1904, werd op 29 februari 1904, lt. Eugène Braet als nieuwe brandweercommandant aangesteld in de graad van kapitein. Smid Oscar Van Hoonacker op 6 maart het korps in de graad van luitenant.

Ondanks zijn korte loopbaan als bevelhebber van de brandweer, had hij toch het één en ander weten te presteren. Leden van de Brugse brandweer behaalden op 7 mei 1907 in Engeland een eerste prijs bij redding met haakladders in de Guildhall van Rochester. Ook in Tonbridge wonnen zij een wedstrijd. Men beschouwde destijds de Brugse brandweer als een der betere korpsen van Europa.


Enkele zware rampen tijdens zijn ambtsperiode:

1906 Ontploffing aan boord van het schip Love & Unity op 9 januari in het Koophandelsdok. Het schip behoorde toe aan een Engelse rederij en was met minerale oliën geladen. De schade aan het schip alleen bedroeg toen tussen de 250.000 en 300.000 oude Belgische frank. Zou nu meer dan 1.650.000 euro bedragen.

1907 Zware fabrieksbrand tijdens de nacht  van 20 op 21 april in de Katelijnestraat (toen St.-Catharinastraat). het betrof hier de sigarenfabriek, "Manufacture Générale de Tabacs et Cigares". De brand was zo omvangrijk, dat men de brandspuiten van ijzergieterij "De Jaegher" (voorloper van La Brugeoise) en de brandspuit van houthandelaar-burgemeester Karel Serweytens (laatste burgemeester van Sint-Pieters-op-den Dijk) ter plaatse lieten komen. De schade bedroeg toen 180.000 oude Belgische frank. Wat nu zou neerkomen op meer dan 950.000 euro.

1908 Zware fabrieksbrand op 25 januari in fabriek "Societé anonyme Belgian Coprah Oil Manufactory"gelegen langsheen de Kolenkaai. De schade bedroeg destijds ongeveer 300.000 oude Belgische frank. Wat nu meer dan 1.600.000 euro zou zijn.

Eugène Braet 1857-1910
Eugène Braet 1857-1904
Eugène Braet, die door ziekte getroffen werd, overleed op 6 februari 1910 en werd net geen 53 jaar oud. Hoewel hij de brandweercommandant was met de kortste dienststaat als bevelhebber, kon hij een heus palmares voorleggen.

Tijdens zijn functie was hij gedecoreerd met het Burgerkruis van 1e klasse en het Herinneringskruis van de regering van Z.M. Leopold II. Bovendien was hij erelid der vereniging der brandweerkorpsen van het Noorden van Frankrijk, van de Italiaanse Bonden en tenslotte erelid van The National Fire Brigade Union of England.


Interesse in het boek (392 pag.)? Mail naar: noel.de.mey@telenet.be




Bron:
©Boek "Brugge Brandt -Het brandt weer, mannen
Bidprentje, Leondyme
Foto: ©familiearchief Luc Blanckaert
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.