zondag 29 december 2013

Albert van der Haegen van Eesbeke (1757-1829)

Update:23-05-2014

De laatste markgraaf van Antwerpen

Albert van der Haegen van Eesbeke (1757-1829)
Albert van der Haegen van Eesbeke
(1757-1829)
Priester Floris Prims, wijdde een grote historische studie over de laatste markgraaf, Albert van der Haegen van Eesbeke. Hij, herinnerde ons eraan, dat men de titel van "markgraaf "uit beleefdheid gebruikte. In werkelijkheid was de markgraaf van Antwerpen niet meer dan de plaatsvervangende markgraaf van de werkelijke markgraaf, die tevens hertog van Brabant was. De officiële titel was "schout van Antwerpen en markgraaf van het land van Rijen".

De voorlaatste markgraaf, jonkheer Alexander Cuylen, was een "Vijg"*, die in het begin van de patriottentijd hier nipt aan de dood ontsnapte. In het patriottische Antwerpen, was de werking met hem onmogelijk geworden. Burgemeesters en schepenen van Antwerpen doen een oproep aan de regering, om markgraaf Alexander over te plaatsen. Langdurige conflicten blijven aanslepen, zodat men jarenlang zonder schout-markgraaf zit.

Op 21 maart 1793, duiden de representanten van het soevereine volk van Antwerpen zelf een schout aan. Frans Carpentier, legt er de eed af aan de godsdienst, de constitutie van Brabant en aan de privéleges van de stad Antwerpen. Eigenlijk ging het hier om een voorlopige benoeming, die eigenlijk bedoeld was, om de goeder orde te bewaren binnen de rechtspleging onder de Franse bezetting.

Enkele weken nadat men deze voorlopige benoeming tot stand had gebracht, herstelde de Oostenrijkse regering en werd er gedacht aan een nieuwe schout-markgraaf voor Antwerpen. Doch de Oostenrijkse Staatskas, die voor de uitbetaling ten gunste van de schout diende te zorgen, was reeds gewoon geworden niets te moeten uitgeven. De magistratuur stelde dan voor om dit ambt te doen samenvloeien van admiraal van de Schelde, die reeds open stond, sinds het plotse overlijden van graaf de Poli. De regering zelf wilde uiteindelijk iemand, die deze functie zou uitoefenen voor de eer.

Op een gegeven ogenblik, dook de kandidatuur op van baron Albert van Eesbeke, die een gepensioneerd officier was uit de periode van Maria-Theresia.  Eigenlijk was hij een berooide Brusselaar, die als officier uit het Oostenrijkse leger ontslagen was, nadat men kortstondig de Brusselse onafhankelijkheid had uitgeroepen. Hij, was de tweede zoon van Baron Honoré Joseph en van Marie Therese de Broe de Diepenbend. Maar er was toch een hindernis te bespeuren. Aangezien hij als kandidaat-schout met de Franse taal was grootgebracht en vervolgens met het Duits, bleek er een gebrek van de Vlaamse taal, wat nodig was.

Het was de kanselier van Brabant de Limpens, die aan de fiscale Raad van Brabant te kennen gaf, dat baron van Eesbeke Vlaams aan het leren was. Zij, op hun beurt nodigden hem uit, zodat zij konden vaststellen of hij voldeed, om dit ambt te bekleden en de Vlaamse taal ruimschoots beheerste. (Brief van kanselier de Limpens van 20 februari 1794)

De benoeming vond plaats op 31 maart 1794. Als kersverse schout woonde hij te Brussel op 23 april te blijde intrede bij van de nieuwe keizer van Duitsland, Frans II. Op 2 mei legde baron van Eesbeke als schout-poorter van Antwerpen de eed af op het stadhuis. Lang duurde het niet of de Fransen staken er in juli, stokken in de wielen. Zij schaften de functie van markgraaf af. Toch voor baron van Eesbeke. De Franse representanten benoemden op 21 september op hun beurt een andere schout, Frans Wauters, die van uit het Vogelhuis op de Schoenmarkt afkomstig was. Uiteindelijk werd op 30 april 1795 deze functie afgeschaft.

Hij, huwde pas in 1798 met jonkvrouw Hélène Geelhand, die de dochter was van een schatrijke Nederlandse familie en zich te Antwerpen hadden gevestigd. Beiden betrokken het domein Winckenhoven te Hove, dat tevens hun bruidschat was. Eigenlijk behoorde hij niet tot de hogere adel en had normaal geen recht op deze titel. Hij bekwam echter deze titel op voorspraak van een aangetrouwd familielid (verstandshuwelijk; geld in ruil voor de titel). 

Gewezen schout-markgraaf baron van Eesbeke werd maire (burgemeester) van Hove onder de Franse overheersing. Na het overlijden van zijn echtgenote Helene Geelhand in 1807, trad hij voor een tweede maal in het huwelijk. Hij huwde met de gefortuneerde Maria-Theresia van Male, die de weduwe was van Jacob Robyns, verloor hij al zijn rechten op het kasteel, dat zo terug in handen kwam van de familie de Geelhand. Via Hove en trokken zij naar Brussel, waar zij zich in de Koninklijke straat vestigden, nadat zij er de gronden hadden opgekocht met het geld van zijn tweede echtgenote. Ook het kasteel van Kortenberg (voormalige abdij) werd door hem op het einde van zijn leven opgekocht. Het latere "Astoria" hotel werd er op hun gronden gebouwd.

Baron-schout-markgraaf en burgemeester Albert van der Haegen van Eesbeke, overleed er op 10 juli 1829. Hij had vier dochters, waarvan één op jonge leeftijd overleed en een andere gek werd verklaard. De twee andere dochters bleven gedurende de rest van hun leven in onmin met elkaar leven over het geld en de andere eigendommen, die de baron te Brussel in bezitting had. Dochter Julie beschreef dit in haar nota's. Toen zij in 1892 overleed, bleef van het familiefortuin niet veel meer over.

Zijn hierboven weergegeven  portret werd door De Lantsheere in 1789 geschilderd. Verder zijn er meer bijzonderheden weer te vinden over baron van Eesbeke in een artikel geschreven door L. Robyns de Schneidauer, "Le dernier Margrave d' Anvers, le Psyché", Oktober 1929.

*Vijg: is een benaming, die gebruikt werd voor keizergezinden tijdens de Brabantse omwenteling van 1789.

Bronnen:
Zondagsvriend 17-07-1932
Oud-Antwerpse portrettengalerie van Floris Prims

Met dank aan Dhr. Philippe van Eesbeek, voor zijn toegstuurde bijkomende informatie, die hierin verweven werd.

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey



zaterdag 28 december 2013

Jan Celosse 1518-1580


Jan Celosse 1518-1580
Koopman en poorter van Antwerpen
Jan Celosse 1518-1580
Jan Celosse was een koopman en poorter van Antwerpen, die met Catharina Hermans gehuwd was afkomstig uit Ronse. Hij, was de zoon van Aert Celosse en als poorter ingeschreven op 5 juli 1549.  Jan, was woonachtig in de Zirkstraat nr. 34 te Antwerpen. Naast zijn woning bezat Celosse er een tweede woning met magazijn.

Vervolgens was hij eigenaar van de hoeve het "Varlaer", onder Kiel en Hoboken. Uit hun huwelijk werd een enige dochter Maria geboren. Meerdere bronnen schrijven, dat er nog een zekere Hermes Celosse uit hun huwelijk geboren werd in hetzelfde jaar van hun dochter.

Als men zich verder verdiept over zijn verworven rijkdommen, was hij omstreeks 1563 reeds eigenaar van het huis de "Gulde Handt", van het huis "Cortrijcke" in de Zirkstraat, met daarbij de achterhorigheden en bergplaatsen in de Stoelstraat en van het goed te Varlaar...Over zijn gedreven handel werd niets teruggevonden.

Zijn dochter Maria trad in het huwelijk met Karel della Faille, maar overleed enkele jaren na haar echtverbintenis in 1575. Haar echtgenoot en haar vader kregen het momboorschap (momberschap = voogdij) over haar kinderen, Cornelia en Hansken della Faille en werden de erfgenamen van hun rijke koopman-grootvader.

Jan Celosse, overleed op 27 juli 1580 en werd begraven in de grafkelder van de O.L.V. kerk, die hij vooraf had laten maken. Zijn echtgenote, overleed naar alle waarschijnlijkheid omstreeks 1595. Zes jaar voor zijn overlijden had Jan zich een medaille laten maken in 1574. Zijn dochter Cornelia erfde niet alleen het imposante koopmanshuis in de Zirkstraat maar ook zijn medaille met volgend randschrift:

JOANNIS CELOSSE ARTATIS SUAE LVI. AN 1574

Bronnen:
Zondagsvriend 10-07-1932
Oud-Antwerpse portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

Antonius De Tassis 1510-1574

Antonius De Taxis 1510-1574
Medaille van Antonius De Taxis
ontworpen in 1552 door Jean Symons
Antonius De Tassis werd in 1510 als buitenechtelijk kind te Innsbrück geboren. Zijn vader Jan Baptist de Tassis, die afkomstig was uit Lombardije (Bergamo), kwam zich als postmeester-generaal te Mechelen vestigen. Zijn naturalisatiebrieven dateren van 1518. Een oom van Jan Baptist was er reeds woonachtig van 1507.

De jonge Antonius studeerde zowel in Frankrijk, Padua en te Bologna. Uit zijn bewaarde briefwisseling-dat toebehoort aan de familie van Turn en Tassis te Regensburg- kon uitgemaakt worden, dat hij een polyglot moest zijn, want hij sprak meerdere talen.

In 1539 wordt Antonius geadeld. Twee jaar later in 1541 wordt hij postmeester te Antwerpen en zal deze functie blijven uitoefenen tot aan zijn overlijden in 1574. In het toenmalig keizerrijk was Antwerpen het belangrijkste knooppunt aangaande het postwezen. Brussel kwam op de tweede plaats, waar de broer van Antonius er tevens postmeester-generaal was.

Antonius zelf woonde te Antwerpen in het "Postmeesterhuis", gelegen in de Lange Gasthuisstraat, dat verbouwd werd in de "Banque du Commerce" (Bulletin de la propriété, 1879). In 1542 trad hij in het huwelijk met de Zeeuwse Anna van Waelscappel, die reeds weduwe was van de gewezen dijkgraaf van Duvelant. Haar vader was namelijk burgemeester van Veere. Een broer van Anna was proost van het kerkkapittel van Utrecht.

Uit hun huwelijk werd een dochter Sara geboren, die in 1584 in het huwelijk zou treden met Gaspar Snoeck, die met de Halmale's verwant was. Vervolgens waren er nog twee zonen, Jan Baptist en Karel, die hun vader beurtelings als postmeester opvolgden. De familie zette zich alleen voort uit de nakomelingen van Karel.

In 1548 kocht Antonius een hof te Berchem, dat spoedig de naam van "Postmeesterhof " en afgekort "Posthof" kreeg. Dit nieuwe eigendom lag gelegen op "Royervelt". Op het Berchemse "Posthof" prijkte dan ook het postwapen van de Tassis. Uitbreiding van de spoorwegen in 1836 en van de vestingen in 1863 zorgden er namelijk voor, dat een gedeelte van dit eigendom verdween.

Wat velen niet zullen weten is, dat het "Posthof", de oorsprong van de vele Postpunten binnen Europa is. Reeds in de XVe eeuw nam Rogier de Tassis voor rekening van Keizer Frederik III het postwezen in Tirol in uitbating. Verdere uitbreiding binnen het keizerrijk kwam er daardoor tot stand, waarbij aan de familie het monopolie van de Postpunten gegeven werd.

Antonius, overleed op 12 juni 1574 en werd begraven zijdelings van het hoge autaar naast de sacristie in de Sint-Joriskerk. Zijn echtgenote overleed op 7 augustus 1584 en werd naast hem begraven. Beiden hadden een gezamenlijk testament opgemaakt in 1555.

Als postmeester had Antonius de Tassis en zware verantwoordelijke functie vervuld. Vooral ten tijde van de hertog van Alva. Hierdoor klom hij hoger op binnen de adel als ridder in 1572. De medaille, die hier wordt weergegeven, werd in 1552 door Jean Symons gegoten en draagt het randschrift:
"Antonius de Taxis Aenipont", d.i. Antoon van Taxis van Innsbrück.

Meer over deze medaille is terug te vinden bij Victor Tourneur "Jean Symons, médailleur Anversois" in de "Revue belge de Numismatique" 1925 blz. 48. Over de afbeelding is er een studie verschenen van O. Le Maire in de "Bijdragen tot de Geschiedenis", 1931 blz. 282-300.

Bronnen:
Zondagsvriend 03-07-1932
Oud-Antwerpse portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

zaterdag 21 december 2013

Cecilia Veselaere

Cecilia Veselaer naar een ontwerp van
Steven van Holland of van Herwyck
Cecilia Veselaer was de tweede dochter van tapijtenhandelaar Joris Veselaer en van Margarita Boghe. Haar vader werd in 1493 geboren en was te Antwerpen als poorter en koopman bekend in  1533. In 1544 koopt hij er het verbrande Lanteernhof te Deurne, die door Merten van Rossum werd verwoest. Op 15 juni 1545 wordt hij op aangeven en bij patentbrieven van de keizer, muntmeester-generaal te Antwerpen. Een ambt dat haar vader vijventwintig jaar zou vervullen. Joris Veselaer, overleed op77-jarige leeftijd in 1570.

Cecilia Veselaar, die een eerste maal in het huwelijk trad met Melchior Balde, sloot nadien voor een tweede maal een echtverbintenis af met Floris Allewijn. Van haar werd er ook een medaille ontworpen, die naar alle vermoeden gemaakt werd door medaillist Steven van Holland of van Herwyck. Volgens de geschreven bron van 1932, zijn er maar twee exemplaren bekend. Een daarvan berust in het Medaille Kabinet van Den Haag, het andere in de Koninklijke bibliotheek te Brussel. Rond het borstbeeld leest men: "Cecilia Veselar Aet. 37 A°1558.

Op de achterzijde staat een vrouw afgebeeld, die het Geloof voorstelt. Op de rand leest men: " Trop fier abuse, V.C.", dat vertaalt kan worden: " Als de stout faalt". Misschien was dit de lijfspreuk van Cecilia Veselaer of de eenvoudig weg de wapenleuze van de familie? Kort na het vervaardigen van de medaille moet zij overleden zijn, want haar man-weduwnaar Floris Allewijn huwde kort daarna met Margarita Lemmens.

De oorspronkelijke bronschrijver Floris Prims, is het ook niet eens, met Victor Tourneur (Revue de Numismatique Belge, 1921), dat hij Cecilia Veselaer, zonder enige vorm van bewijs tot de protestanten rekent.

Bronnen:
Zondagsvriend 16-06-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Noël De Mey

dinsdag 17 december 2013

Floris Allewijn (°1522?)



Medaille Floris Allewijn
Floris Allewijn
Over Floris Allewijn bestaat er enige verwarring door het feit, dat men op een ondertekende erfscheidingsakte uit 1638 te Amsterdam, waarop een zekere Floris Allewijn vermeld staat en er geen verwijzing bestaat naar Antwerpen. 

Wie, de andere Floris dan wel blijkt te zijn, moet men terug gaan naar het jaar 1510 waar een zekere lakenbereider Thomas Allewijn er zijn woonplaats had op de Noordzijde van de Hobokenstraat, waar later er een materniteit en home "Marie-José werd ingeplant.

Thomas, had heel wat kinderen, waaronder Jan, die zijn vader als lakenbereider opvolgde in 1549 en van wie de nakomelingen nog lang daar zouden verblijven. Tot in 1610 blijft dit het werkdomein te zijn van de Allewijns. Verschillende akten maken duidelijk, dat zij allen kooplieden waren. Maar Floris wordt nergens vermeld. Of hij de zoon van Thomas is, hebben we het raden naar. Hoogstwaarschijnlijk moet er een zekere verwantschap bestaan met deze familie.

Gegevens over Floris Allewijn vind men weliswaar terug op een lijst waarop 52 verdachten uit Antwerpen vermeld staan. Deze werden op 21 februari 1568 ter verantwoording naar Brussel geroepen n.a.v. hun gedrag tijdens de beeldenstorm. Aan het hoofd van deze verdachtenlijst stonden Marcus Peres, Ursula Lopez, Charles van Bomberghen... Floris stond er als 23ste vermeld.

Op een lijst van 15 februari 1570 staat vermeld: "... dat Floris met alle hier genoemde kompanen uit het land gebannen werd". De vraag blijft of we met dezelfde Floris te maken hebben, die op de Amsterdamse akte vermeld staat en ook daar is overleden? Wat wel zeker is, is de vereenzelviging naar het calvinisme van 1568-1570.

In teruggevonden schepenbrieven bemerkt men, dat Floris als koopman optreed, waarvan een akte van 9 februari 1551, dit duidelijk maakt. Samen met zijn echtgenote Margriet Lambrechts (Lemmens) kopen zij van een zekere Godevaert Goes Willebortson uit Kasterlee en onroerend goed te Balen. Vervolgens koopt hij van zijn schoonbroer Jacob Janssonne (gehuwd met Katline Allewijn) in 1553 een grote partij gronden op de Darisdonk onder Turnhout. Het is ook de plaats waar Floris zijn vrouw afkomstig van was.

De hier weergegeven afbeelding, waarvan een exemplaar terug te vinden is in de "Academie der Wetenschappen" te Amsterdam toont ons het borstbeeld naar rechts met de vermelding:

FLORIS ALLEWIJN. AET.37.1559

Deze medaille werd vervaardigd door de Utrechtse medaillist Steven van Holland in 1559, die zich te Antwerpen kwam vestigen. Na Gillis Hooftman was Floris Allewijn de tweede klant. Daarom het sterk vermoeden, dat deze Floris de zoon kan zijn van Thomas.

In de "Revue numismatique belge" van 1867 was Willem Jan de Vooght van oordeel, dat het om de Utrechtse Floris Allewijn ging. Het was Maurin Nahuys, die daarna liet weten, dat de teruggevonden naam op de erfscheidingsakte van 1638 qua leeftijd ver uit elkaar liep.

Bronnen:
Zondagsvriend 05-06-1932
Oud-Antwerpse portrettengalerij van Floris Prims
Noël De Mey

maandag 16 december 2013

Gillis Hooftman 1521-1581

Medaille Gilles Hooftman
Gillis Hooftman 1521-1581
Een der grootste kooplui uit de XVIe eeuw is Gillis Hooftman. Zijn gedeeltelijke historische levensbeschrijving, die door Rahlenbeck werd neergeschreven is terug te vinden in de "Biographie Nationale". Naar alle vermoeden werd hij in 1521 geboren en stamt af van de Rijnlandse Eichelberg's, waarbij de naam Hooftman samen met voornoemde naam te Antwerpen voorkomt.

Gillis Hooftman, trad een tweede maal in het huwelijk met Anna van Achterhout en kreeg met haar vier kinderen. Zijn broer Hendrik, werd de man van Anna's moeder, Johanna Ysebouts, die weduwe geworden was. Gillis, trad nadien nog een derde maal in het huwelijk met Margarita van Nispen en kregen zeven kinderen.

Op 15 juli 1541 werd Gillis Hooftman als poorter te Antwerpen ingeschreven als Arnoutsonne, komende uit het Land van Limborch. Volgens de legende leurde hij rond zonder enige middelen van bestaan. Doch voor 1559, had de handel Gillis zodanig verrijkt, dat hij onder de rijkste burgers van de stad mocht gerekend worden en er als aalmoezenier werd aangesteld.

Zijn handel drijven met hout had voor Gilles een gunstige invloed zelfs tot in Rusland. Bovendien was Gilles met zijn handelszaken geassocieerd met koopman Pieter Panhuys. Doordat hij als koopman veel op zee vertoefde, hechte Hooftman veel belang in alle geografische aantekeningen. Hij vatte dit alles samen, waaruit zijn zogenaamde "Hooftmans kaartenverzameling, bestaande uit 38 stuks als inzet werd gebruikt van de "Theatrum orbis terrarum" van Ortelius (Denucé, kaartenmaker). Mathematicus Michiel Coigniet, draagt in 1580, zijn "Nieuwe Onderwysinge op  de principaelste puncten der Navigatie" aan Gillis op.

Volgens een Antwerpse kroniek, kreeg Gillis het zwaar te verduren, tijdens een zware storm: "...Den 26 january 1574 soo borste op een plate by Saftingen, Zielis Hooffman's schip, een ryck coopman van Antwerpen, dat hij hadde doen maecken voor syn huysvrouwe; dit verdranck daer met allen den goeden van coopmanschap, al tsaem wel weert wesende 30.000 guldens".

Samen met zijn broer Hendrik, werden zij sinds 1566 ervan verdacht met de protestanten te verbroederen. Gillis, was woonachtig in de Steenstraat nabij het Steen. In 1578 kocht hij het Pullhof te Berchem en in 1580 de refugié van Affligem in de Mattenstraat binnen de Burcht. Ook tijdens datzelfde jaar kocht hij het kasteel van Cleydael te Aartselaar. Lang heeft Gillis niet kunnen genieten, want hij overleed in januari 1581.

Alle zeven kinderen uit zijn derde huwelijk met Margarita van Nispen waren nog minderjarig. Zijn dochter Anna trad te Hungtingdon in het huwelijk met Olivier Cromwell, die de oom was van Lord Protector. Zijn oudste zoon Gillis uit zijn tweede huwelijk met Anna van Achterhout, volgde zijn vader op, was schepen in 1582, 1583 en 1584 en woonde in de Kaasstraat.

In 1584 werd hij als afgevaardigde van de Staten-Generaal naar Delft gestuurd. Bij zijn terugkeer naar zijn oorspronkelijke stad Antwerpen, vertrekt hij naar Bremen.

De hierboven weergegeven medaille, die tot de verzameling van het Steen behoort, werd vervaardigd door de grote medaillist uit Utrecht, Steven van Holland, die in 1559 te Antwerpen werkzaam was. Gillis was toen 38 jaar oud.

Bronnen:
Zondagsvriend 29-05-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey


Hendrik van Halmale II 1596-1679



Hendrik van Halmale II
Hendrik van Halmale II
1596-1679
Hendrik van Halmale II, was de zoon van Hendrik van Halmale de oudere en van Margarita Tseraerts. Hij werd in 1596 geboren en trad in 1618 in het huwelijk met Catharina de Altuna. Reeds van in de XVe eeuw bevinden de Halmale's onder de voorname families te Antwerpen.

Zijn vader was er schepen en burgemeester geweest en ook Hendrik was ruim dertig keer schepen tussen 1628 en 1678 en twaalf keer burgemeester tussen 1646 en 1677. Het was ook hij, die de zware storm der beroerten van 1653 te verduren kreeg.

Sinds 1655 was hij hoofdman van de Sint-Lucasgilde en was hij de eerste beschermheer in Antwerpen van kunsten en letteren, gedurende ettelijke jaren. Het bleef daar zelfs niet bij, want samen met David Teniers de jongere opent hij er een academie of schildersschool. Dit naar het model van Rome en van Parijs. Hun plannen kregen vorm in 1663. Twee jaar later overleed Hendrik zijn vrouw in 1665.

De zoon van Hendrik, ook Hendrik genaamd, was er koordeken van Antwerpen geworden in 1661, geestelijke hoofdman van de Sint-Lucasgilde om er vervolgens bisschop van Ieper te worden.

Hendrik van Halmale II, die reeds geridderd was in 1648, bleef tot aan zijn dood tot de magistratuur behoren van de stad Antwerpen. Hij overleed er op 7 april 1679 en werd begraven bij de Minderbroeders onder een witte marmeren zerksteen waarvan een afbeelding terug te vinden is in de "Graf en Gedenkschriften der provincie Antwerpen" VI, blz. 148.

Wat eigenlijk een toeval bleek te zijn was het feit, dat "Het Klooster der Minderbroeders", dat Hendrik als laatste rustplaats had uitgekozen, door de Franse overheersing vernield zag zien en de bestemming kreeg om er terug de Academie nieuw leven in te roepen, die eigenlijk ooit door Halmale werd gesticht.

De hierboven weergegeven gravure werd getekend door Alexander Voet de jongere (1637-1693) en gegraveerd door Gaspar Huybrechts (1619-1684). Ze werd gemaakt in opdracht van de dekens van de Sint-Lucasgilde om aan de burgemeester-beschermer van kunsten en letteren-te worden aangeboden, vermoedelijk omstreeks 1650. Het portret bleek destijds zo goed als verloren te worden bestempeld.

Bronnen:
Zondagsvriend 08-05-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noel De Mey

zondag 15 december 2013

Joseph van Ertborn 1778-1823



Joseph van Ertborn
Naar een gemaakte schets van
Mathijs van Bree
In de "Annuaire de la Noblesse 1874" was men overtuigd, dat de eerste vertegenwoordigers uit Nassau-Duitsland afkomstig waren. Maar volgens de hier neergeschreven bron uit Herenthout-Morkhoven.

Joseph van Ertborn (zie paraaf 2de huwelijk), werd in 1778 als oudste zoon van Frans (François) van Ertborn (1755-1807) (zie paraaf 2de huwelijk) en Jeanne van de Werve te Antwerpen geboren. Reeds vanaf de XVe eeuw zijn er vermeldingen over deze familie terug te vinden in de Antwerpse archieven.

Zijn vader was dankzij zijn verworven rijkdom verkozen geworden tot grootaalmoezenier van de stad en had er een bank geopend samen met zijn zonen onder de naam "van Ertborn et Fils". Hijzelf had er de roepnaam onder het regime van Napoleon "van Ertborn père".

Joseph, studeerde bij de Oratorianen te Juilly nabij Parijs, vervolgens te Luik en te Munster. Bovendien was hij in die tijd als jongeling zeer geleerd. Hij werd als een der eerste leden van de "société d'émulation" te Antwerpen, die onder de bescherming van de Franse regering was opgericht en in 1802 werd hij lid van de "conseil général du département". Al snel werd duidelijk, dat van Ertborn de zaken van Napoleon genegen is. In het "conseil général" van de "Twee Nethen" werd Joseph in 1803, secretaris.

Wanneer hij in 1805 ereraadslid van de academie werd, zette hij spontaan alles in het werk om de geschiedenis van de Sint-Lucasgilde en de rederijkamers van de stad op zich te nemen. Zijn historische bijdragen werden naderhand in 1822 in het Vlaams gedrukt.

Ook legde Joseph van Ertborn zich toe aan dichtkunst en toneel. In 1809 werd hij onderprefect van Oudenaarde en auditeur van eerste rang bij de Staatsraad. Van Keizer Napoleon werd hij met de titel van baron vereerd...

Als lid van de Rekenkamer in Den Haag overleed Joseph van Ertborn er in 1823. Met hem groeide er bij de van Ertborn's een traditie van hoog-ambtenaarschap en getrouwheid aan het toenmalig gevestigde regime. Joseph, werd te Hoboken begraven, evenals zijn enige ongehuwde zoon(+1829).

Bron:
Zondagsvriend 01-05-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey



zaterdag 14 december 2013

Kanunniken Frans De Cock en Ferdinand Vits

Fransiscus De Cock
Fransiscus De Cock werd kanunnik in 1662. Hij bekwam de tweede waardigheid van het kapittel, die van cantor in 1689. In 1701 werd hij als kanunnik met het rentmeesterschap belast over een groot deel van de goederen van het kapittel. Hij genoot er te Antwerpen een groot aanzien en zou een zekere bekwaamheid als kunstschilder hebben. Daarvan werd er niets van hem teruggevonden. Of toch!

E.H. Lauwereys uit Hoogstraten bemerkte op een schilderij, die in zijn kerk aanwezig is, dat de H. Bloeddoek voorstelt en ooit werd gerestaureerd door H. Bern. Janssens uit Lier. Het schilderij zelf werd testamentair aan de kerk geschonken door pastoor Andr. Theunis op 15 augustus 1723, die zelf de H. Bloeddoek vasthoudt.

Ferdinand VitsOok staat er nog een tekst daarbij vermeld en nog twee andere personages, namelijk: Franciscus De Cock, de cantor van de O.L.V. kapittel van Antwerpen en die naar alle waarschijnlijk het doek zelf heeft geschilderd en rechts naast hem staat kanunnik Ferdinand Vits van hetzelfde kapittel. In de overlijdensregisters vond men beide namen van hen terug.

Laureis Vits-als Ferdinand aangesproken naar zijn vader-werd naar alle vermoeden kanunnik in 1675. Hij had er de taak, de stoffelijke goederen van het kapittel in de Polder te bezorgen. In 1699 werd hij als econoom in het vicariaat-generaal van het bisdom Antwerpen opgenomen.

Na het overlijden van kanunnik Frans De Cock op 18 juli 1709, werd het cantorschap aan Ferdinand overgedragen. Daarenboven werd hij door het kapittel als provisor (beheerder) van de kerk van Austruweel aangesteld. Kanunnik Ferdinand Vits overleed op 27 juli 1715 en werd in de O.L.V. kerk begraven.

Voor de kerkelijke geschiedenis van Antwerpen op het einde van de XVIIe -begin XVIIIe eeuw, waren beide kanunniken belangrijke geestelijke illustrerende figuren met aanzien.

Bronnen:
Zondagsvriend 17-04-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

donderdag 12 december 2013

Jan Frans van der AA (+1727)

Jan Frans Van Der AA
Jan Frans van der AA
(+1727)
Ondanks het feit, dat de geboortedatum van Jan Frans Van Der AA niet werd achterhaald, heeft hij toch een zekere historische rol gespeeld. Zijn familie Van De AA vervulden er in de XVIIe eeuw te Antwerpen een belangrijke plaats. Meester Francois van der AA (1660-1704) was er schepen van de stad sinds 1689 en vervolgens tresorier.

De van der AA's huwden er in de XVIIe en in de XVIIIe eeuw met voorname en belangrijke families en verwierven er daardoor de titel "de Randerode", door hen gevoerd. Hun bijeen gebracht fortuin hadden zij schijnbaar te danken door de handel, die te Antwerpen door de familie werd bedreven.

Jan Frans van der AA behaald zijn licentiaat in de rechten, werd priester en klom op tot plebaan van O.L.V. in het Zuidkwartier op 19 november 1709. Hij, behoorde tot de kanunniken, die hun adel moesten bewijzen, om van de bepaalde prebende te kunnen genieten. In 1721 verkoos men hem tot deken van de landdekenij in de Scheldestad. Tijdens datzelfde jaar kreeg hij er nog de functie van penitentiaris (kanunnik, die volmacht heeft om zonden te absolveren) erbij.

Ook was hij nog een tijdlang, bij het overlijden van de bisschop, vicaris-generaal van het bisdom. Wat duidelijk maakt, dat deken van der AA, van een bijzonder aanzien genoot. Jan Frans van der AA, overleed op 29 december 1727 en werd in de O.L.V. kerk begraven.

Het portret, dat hierboven wordt afgebeeld en tevens toebehoorde aan dhr. Bal, vermeld onderaan de leuze: "Onerani non honorari". Wat wil zeggen: "Belast worden,niet vereerd". Het wapenschild, dat men bovenaan het geschilderd portret bemerkt, heeft de verzekering weer, dat de schepen en de plebaan tot dezelfde familie behoorden.

Bronnen:
Zondagsvriend 10-04-1932
Oud-Antwerpse-portrettengalerij van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

dinsdag 10 december 2013

Simon-Pieter Dargonne 1749-1839

Simon-Pieter Dargonne
Simon-Pieter Dargonne
1749-1839
Pastoor Visschers wijdde ooit een studie aan Dargonne, die door Augustin Thys werd aangevuld in zijn "Historiek der Straten van Antwerpen", bij het kapittel over de "Jodenstraat". Iedere Antwerpenaar, die begaan is met de Antwerpse geschiedenis, kent Dargonne.

Simon-Pieter Dargonne werd binnen een arm gezin in 1749 te Dieppe geboren. In 1774 kwam hij zich te Antwerpen vestigen als muziek-en dansleraar. Daarbij werd hij aan de opera gehecht als dansmeester. Zodoende werd Dargonne bij de voornaamste Franse families als lesgever ontvangen.

Wanneer de tweede Franse inval plaatsvond in juli 1794, trad Dargonne op het voorfront en werd lid van het stadsbestuur. Hij werd weldra de vertrouwensman van de veroveraars en werd hij "commissaire du directoire exécutif". Bovendien was hij diegene, die werkelijk de wetten van de Republiek te Antwerpen deed toepassen.Vervolgens deed hij de kloosters sluiten, de priesters vervolgde, de eredienst van de rede leidde en door zijn toedoen, verbande hij meer dan 1.000 priesters uit het departement.

Teruggevonden archiefstukken tonen duidelijk aan, dat Dargonne alles in het werk stelde én met aandrang, om de republikeinse maatregelen te doen uitvoeren. Daarenboven kende hij geen eerbied, noch verdraagzaamheid, noch medelijden. Als meedogenloze uitvoerder, bespotte hij zijn slachtoffers. Naar verluidt deed hij dit, minder uit  persoonlijke overtuiging, maar eerder om in het gareel van het gezag te lopen, dat hij vertegenwoordigde. Dargonne, bleek een slaafse dienaar te zijn geweest.

Samen met een aantal anderen van hetzelfde gedachtegoed, werd Dargonne in 1803 tot rechter benoemd bij de Rechtbank van Eerste Aanleg. Ondertussen was hij vier jaar daarvoor op 10 maart 1799 in het huwelijk getreden met A. Cerisier van Maubeuge en bleven als echtpaar kinderloos. In 1807 werd hij opgenomen als lid van de Criminele rechtbank. Uiteindelijk zou hij zijn benoeming tot procureur bij de rechtbank van Turnhout weigeren in 1811.

Dargonne, vestigde zich te Vilvoorde en begon zich bezig te houden met schilderen. Hij werd er krankzinnig, kreeg meer en meer woedeaanvallen en werd daardoor opgesloten. Hij, overleed in het krankzinnigengesticht van Sint-Joost-ten Node op 22 mei 1839.

Het was kunstschilder Mathijs van Bree, die n.a.v. de triomfantelijke intrede van Napoleon te Antwerpen op doek vastlegde, vooraf de portretten van de personages schetste, die er moesten worden afgebeeld, waaronder ook de portretten van de leden van de Antwerpse justitie. Op deze manier werd  in 1803 Dargonne's portret in rechterstoga gemaakt, waarvan zijn hierboven afgebeelde schets te Parijs word bewaard.

Bronnen:
Zondagsvriend 20-03-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

zaterdag 7 december 2013

Jacob Edelheer 1597-1657



Jacob Edelheer
Jacob Edelheer 1597-1657
Naar een gravure van
Philip Fruytiers midden de
XVIIe eeuw
Jacob Edelheer werd in  1597 te Leuven geboren. Hij studeerde er rechten, werd schepen van Leuven en kreeg de functie van pensionaris van de stad Antwerpen in 1622. Zo, was hij de rechtskundig adviseur van de Antwerpse magistratuur, waarbij Edelheer er juridisch op toe zag te waken over de stad.

Als jong rechtskundige,  hield hij van schone kunsten, van letterkunde en van allerhande geleerdheden. Daardoor werd zijn huis gelegen op de hoek van de Lange Nieuwstraat en Eikenstraat een waar centrum voor cultuuraangelegenheden. Anna Roemers was er ooit te gast op de dag, dat Wendelinus er een wetenschappelijke maansverduistering kwam waarnemen.

Doordat Edelheer zich als zaakgelastigde van de stad Antwerpen bij de Staten van Brabant te Brussel en tevens in de verschillende "raden" door de aartshertogen werd opgemerkt, omwille zijn vastberadenheid en het vellen van persoonlijke oordelen, kreeg hij het volste vertrouwen.

Daardoor werd hij in 1632 door de Staten Generaal als vertrouwenspersoon aangesteld om de onderhandelingen met de Hollanders te voeren. Dit om de vrede tussen de landen te bewaren, daar Spanje zich afzijdig hield. Op verzoek van de Antwerpse magistratuur volgt hij samen met Antoon Sivory op 3 september van datzelfde jaar de vergadering bij van de Staten Generaal te Brussel. Als Brabanders werden vervolgens voor de onderhandelingen naar Maastricht en daarna te Den Haag gestuurd: "Aartsbisschop van Mechelen Jacob Boonen, de Hertog van Aarschot en Jacob Edelheer".

Jacob Edelheer, heeft tijdens de moeizame onderhandelingen een persoonlijk dagregister bijgehouden, dat werd uitgegeven door "Gachard" een ander bijgehouden handschrift verscheen in het "Bulletin de la Commission Royale d'Histoire" in 1875, die door Emmanuel Neeffs werd overgeschreven.

Buiten deze bijgehouden documenten, werden er nog andere zware archiefstukken door Edelheer bijgehouden, die in het stadsarchief worden bewaard. Ook Maurits Sabbe wijdde ooit een studie over Edelheer in zijn boek "De Moretussen en hun Kring (blz. 67)".

Als geducht vredesonderhandelaar, kwam Edelheer terug naar Antwerpen en bewees er voortdurende grote diensten. Zijn zelfgeschreven nota's zijn daarvan het bewijs. Als rechtsdeskundige bestudeerde hij de oorsprong van de politieke rechten van  de abten in Brabant, van de accijnsvrijheid van de Antwerpse kanunniken en verdiepte zich verder in de juridische geschiedenis. Ook hield Edelheer van poëzie, dit gebeurde steeds in het Latijn.

Op 10 juni 1657, overleed Jacob Edelheer te Antwerpen. In de St.-Jacobkerk bevind zich zijn grafmonument, waar hij samen met echtgenote Elisabeth van Lemens te bewonderen is. Zijn borstbeeld bevind zich naast de kapel van het H. Sacrament. Op het gedenkschrift staat er vermeld, dat hij, heer was van Hooftvunder.

Zijn portret, dat hier wordt weergegeven werd gegraveerd omstreeks midden de XVIIe eeuw door Fruytiers en die door Maurits Sabbe werd gereproduceerd voor zijn boek.

Bronnen:
Zondagsvriend 13-03-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims
Verder is er een verwijzing naar de "Biographie Nationale" van J.J. Thonissen

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

woensdag 4 december 2013

Lazarus Marcquis 1574-1647

Lazarus Marcquis
Lazarus Marcquis, die de zoon van een Waalse handelsman was, was er te Antwerpen gevestigd. Toen hij studeerde bij de Jezuïeten, leerde hij er Pieter Paul Rubens kennen, werd er bevriend mee en werd zijn latere lijfarts.

Te Padua werd Lazarus in 1599 tot doctor in de geneeskunde uitgeroepen. Hij, keerde naar Antwerpen terug en werd er als beëdigd stadsgeneesheer verkozen. Hij, trad in het huwelijk met de dochter van een collega, Maria Van den Broeck. Zij bracht dertien kinderen ter wereld. De meeste van zijn kinderen werden zelf geneesheer of huwden ermee.

In 1606 werd hij chirurgijn van het Ste-Elisabethziekenhuis. Zelf was Lazarus woonachtig vanaf 1605 in de Lange Nieuwstraat en bleef er wonen tot aan zijn overlijden. Ook kreeg hij er meermaals het bezoek, van zijn vriend Pieter Paul Rubens.

Marcquis was de bezieler in 1610 van een quasi-officiële "Maatschappij voor Geneeskunde", die aanleiding gaf tot de oprichting van het beroemde "Collegium Medicum" in 1620. Niet lang daarna brak te Antwerpen de pest uit. Op verzoek van het stadsbestuur schreef Marcquis een pestboek, dat als één der beste toen werd bestempeld en omdat hij er in de derde uitgave een "volcomen tractaet" van gemaakt had. Samen met geneesheer Spinosa, stond hij in 1640 zijn goede vriend Pieter Paul Rubens bij, tijdens zijn laatste ziektebeeld.

De stad Antwerpen heeft van Lazarus enkele rekwesten bewaard, dien het bewijs leveren, hoe hij zich aan zijn taak heeft gewijd en hoe hij er daarvoor amper voor beloond werd. Nooit kon men hem betrappen van enige hoogmoed en legde zich als mens toe op de wetenschap en naastenliefde.

Wanneer Lazarus op 26 december 1647 overleed, werd hij door geheel de stad Antwerpen betreurd. Als eerbetoon werd een gedenksteen in de St.-Pauluskerk geplaatst, waar hij ook begraven werd. Ook in de kapel van het Ste-Elisabethgasthuis herinnert een glasraam aan de man, die er  als geneesheer heel wat hulp had verricht. In het stadhuis kan men zijn wapen terugvinden.

Het was Antoon Van Dijck, die het portret van Lazarus Marcquis schilderde omstreeks 1630. Het bevind zich immers te Leningrad. Er werd naar aanleiding van dit schilderij een kopergravure gemaakt door S. Barras waarvan hier de reproductie wordt afgebeeld, die door Dhr. L. Truyens werd uitgeleend.

Bronnen:
De biografie van Lazarus Marcquis werd door Dr. C. Broeckx en door Alph. Goovaerts opgemaakt in de "Biografie Nationale".
Oud-Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims
Zondagsvriend: 06-03-1932

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

Niklaas Leopold van Salm-Salm 1701-1770

Niklaas Leopold van Salm-Salm
Niklaas Leopold van Salm-Salm
1701-1770
Niklaas Leopold van Salm-Salm, werd op 25 januari 1701 te Nancy geboren. Na het overlijden van zijn vader in 1707 te Antwerpen, verwierf hij een Rijnlandschap en na het overlijden van zijn moeder Maria Gabrielle de Lalaing in 1709 verwierf hij de Hoogstraatse heerlijkheden.

Studeren deed Niklaas te Praag, Antwerpen, Brussel en Wenen. Hij, trad in het leger in 1717 en nam aan de veldtocht deel van prins Eugène de Savoie tegen Belgrado en de Turken.

In 1719 trad hij te Anhalt in het huwelijk met prinses Dorothea van Salm (1702-1751), die een erfdochter was van een andere tak der Rijngraven. Hun huwelijk werd bezegeld met achttien kinderen. Goed om te weten was, dat prins Maximiliaan de tweede Hertog van Hoogstraten, te Antwerpen overleed in 1773 en prins Willem, bisschop van Doornik werd en in de waardigheid als aartsbisschop van Praag in 1813 overleed.

Niklaas Leopold neemt aan alle Oostenrijkse oorlogen deel. Te Antwerpen merkt men herhaaldelijk in zijn garnizoen op. In 1740 verkrijgt hij de verheffing van zijn graafschap van Hoogstraten tot hertogelijke titel. Vermeldenswaardig is zijn overwinning te Dettingen in 1743 op de Franse Maarschalk de Noailles.

In februari 1744 wordt Niklaas als gouverneur van het Antwerpse kasteel en bijhorende afhankelijke forten benoemd. Deze functie zal hij blijven uitoefenen tot aan zijn overlijden in 1770. Weinigen waren er zolang gouverneur. Als gouverneur had hij zijn hof nabij de St.-Andrieskerk, waar in 1880 de huidige Salm-Salmstraat werd doorgetrokken.

Tijdens zijn ambtsperiode als gouverneur maakte hij ettelijke krijgstochten en veldslagen mee en kwam er nadien tot rust in Hoogstraten. Na het overlijden van zijn vrouw, trad hij in 1753 opnieuw in het huwelijk met de zuster van zijn eerste echtgenote.

In Hoogstraten leeft zijn herinnering voort. Zo kan men zijn praalgraf aanschouwen in de kerk. Ook in het stadhuis vind men zijn schilderij terug. Te Hoogstraten, Wortel, Merksplas en te Brecht legde hij er hertogische hoeven aan en te Rijkevorsel legde hij het jachtgoed van Hees aan.

Het is dankzij de E.H. Lauwerys, dat een studie in 1930 over de Antwerpse kasteelvoogd  Niklaas Leopold wijdde in "Oudheid en Kunst".  Zijn portret, die hier word weergegeven en in het stadhuis hangt werd ooit door M.B. Janssens uit Lier eervol gerestaureerd.

Bronnen:
Zondagsvriend 28-02-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

zondag 1 december 2013

Jacob Van Hencxthoven

Jacob Van Hencxthoven
Jacob Van Hencxthoven op
38-jarige leeftijd midden de XVIe eeuw
Jacob, werd als zoon van Willem en Clementine Cnobbaerts in het begin van de XVIe eeuw geboren. Op 19 januari 1541 trad  hij in het huwelijk met Clara van Langendonck. Bronnen melden, dat hij in 1543 een invloedrijk handelaar "cruydenier" van specerijen en er woonachtig was op de nieuwe Vrijdagse Markt in 1548. Vervolgens bouwt Jacob er een mooie hof in de Sint-Jorisparochie ter Beke en koopt er tussen de jaren 1556-1561 steeds meer gronden op.

Op 15 maart 1563 wordt hij wardijn van de munt en acht maanden later op 15 november stelde men hem als schout (schuldeiser) aan van Zandhoven. Hij laat zijn kruideniersbestaan voor wat het is en wordt aannemer van vestigingswerken. Jacob voert er in 1563 en 1564 werkzaamheden uit aan de bolwerken en vestingen van Philippeville en andere Waalse plaatsen. Vermoedelijk heeft hij gedurende deze jaren bij aankoop, Rogier van Tassis opgevolgd in de heerlijkheid Hemiksem.

Wanneer Alva zijn zinnen zet om hier een kasteel te bouwen, wordt Jacob de aannemer en provoost. Bovendien is hij raadgever van Zijne Majesteit en staat in voor de "vivers" (levensonderhoud) van de troepen. De door hem onteigende gronden worden opgekocht en dreigt er zelfs mee alles neer te schieten wie er in de weg staat. Zijn 2.000 delvers houdt hij in het gareel door bij de kasteelgrond een galg en een kaak (geselpaal) te installeren. Hij werd toen reeds bestempeld als een grote grondspeculant.

Als er in 1569 aan de vesting een nieuw gedeelte dient gebouwd te worden tussen het kasteel en het schermershuis, de zogeheten "nieuwe jonctie", koopt Jacob zelf de gronden op, op voorwaarde, dat de stad hem met de gronden van de oude vesting vergoed. Bij deze laatste overeenkomst draagt hij dit over aan de firma "Coenraet Schetz en Arnoldo Flemingo".

Als beschermer der letteren en kunst, zorgde hij voor drie beurzen voor de hogescholen. Dichter Jan Ysermans droeg een bundel met liederen getiteld "LAUS CUPIDINIS"(Willems) aan Jacob op.

Op 24 november 1572 overleed Jacob Van Hencxthoven. Zijn zoon richtte voor zijn vader een grafmonument op in de O.L.V. kerk. Zijn echtgenote overleed in 1599 in haar woning gelegen op de Vrijdagse Markt, het Hof van Spaengien op de Noordzijde.

Bij de opmaak van zijn inventaris na zijn overlijden, zaten er nogal wat kunstschatten bij. Men vermeldde volgende schilderijen: "olieverfschilderij op paneel "Het Oordeel", een tafereel van "Sint-Christoffel", een tafereel die "Ons Heer met Kruis" verbeeld, een schilderij van "Sint-Anna", een tafereel van "Adam en Eva", een tafereel van "Bethlehem", een schilderij van "Ons Heer, die met doornen wordt bekroond" en tal van andere schilderijen, Mariabeelden, zilveren kruis..."

Bronnen:
Minuten P.Fabri 1599-Notas Donel
Graf-en gedenkschriften O.L.V. kerk
Bulletin de la Propieté 1890 blz.4-Wijkboeken
Vrijdagse Markt en de daar vermelde schepenbrieven
Zondagsvriend 21-02-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey




woensdag 27 november 2013

Kasteel van Trazegnies

Algemeen zicht op het kasteel van Trazegnies
Trazegnies, die een niet onbelangrijke gemeente is in de buurt van het Henegouwse Fontaine-l'Evêque heeft als trekpleister het eeuwenoude historisch kasteel. Het kasteel is meer dan tien eeuwen oud en werd in de jaren 1500 volledig hersteld.

Top oude toren ernstig bedreigd door instorting
Het behoorde ooit toe aan welstellende families, baronnen en nadien aan markiezin de Trazegnies. Bovendien heeft het kasteel een grote geschiedkundige waarde en wordt in België als een der meeste merkwaardigheden gerekend.

Veel is er terug te vinden in de literatuur over de heren Trazegnies. Een van deze invloedrijke heren vergezelde zelfs in 1096 Godfried van Bouillon op zijn kruistocht. In de jaren 1170 en 1250 werden op de terreinen van het kasteel sierlijke steekspelen gehouden.

De ingestorte Noordelijke muur tussen
de Sint-Laurentiuskapel en de oude
Noord-Westelijke hoektoren.
De heerlijkheid Trazegnies werd in 1614 door aartshertog Albert tot markgraafschap verheven. Het verwantschap van de familie de Trazegnies reikt tot in de hoogste adellijke huizen van België. Ondanks dit gegeven stortte een gedeelte van het kasteel in.

Daardoor werd de oude top van de toren hevig bedreigd en bleef er van de Noordelijke muur, die tussen de oude Westelijke hoektoren en de Sint-Laurentiuskapel gebouwd was nagenoeg niets meer over.




Bron:
Zondagsvriend 21-01-1934
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Pater Jan Neyen 1570-1612



Pater-onderhandelaar Jan Neyen in burgerkledij
Het portret dateert van 1608
(aetatis suae 38) naar een
schilderij van van Mierevelt,
gegraveerd door J.Muller
Hoewel de wortels van Jan Neyen in Luxemburg lagen werd hij in 1570 te Antwerpen geboren. Zijn vader, Marten Neyen was in 1574 als klerk werkzaam bij het Antwerpse rekenhof. Als Calvinist zou hij een groot aandeel gehad hebben in het complot tegen Requesens, die in overleg werd gesmeed met de prins van Oranje. Het complot werd echter ontdekt en Marten kon dankzij  de stadsgriffier, Willem Martini aan zijn achtervolgers ontsnappen.

Zijn zoon Jan, die opgevoed werd in het Calvinisme, keerde zich als jongeling daartegen volledig af, trad in het klooster van de Minderbroeders-Recoletten van Antwerpen en werd er in 1590 geprofest. Het duurde niet lang of hij werd als gardiaan verkozen binnen zijn geloofsgemeenschap te Brussel. Na zes jaar deze functie vervuld te hebben, werd hij aangesteld tot commissaris-generaal van de Orde voor de Duits-Belgische en aangrenzende provincies.

Het waren de aartshertogen Albrecht en Isabella, die Jan te Brussel hadden leren kennen, hem in 1606 opdroegen met de opstandige Noord-Nederlandse Staten te onderhandelen, om een wapenstilstand of vrede te bewerkstelligen. Met buitengewone bekwaamheden en pientere doorzichtige doorzettingsvermogen wist hij-na veel moeite-als geen ander zijn taak te vervullen en kon hij naar Madrid afreizen om er de koninklijke goedkeuring ervan te bekomen.

Op 2 april 1608 ondernam hij deze reis en kwam na veertig dagen terug naar Den Haag met de nodige machtigingen. Tijdens zijn onderhandelingen droeg hij niet zijn paterspij, maar zijn burgerkledij met de toevoeging van de emblemen der ascetische meditatie (zie zijn portret).

Er werd besloten om te Antwerpen verder te onderhandelen. Pater Neyen, kwam op 5 februari 1609 aan in zijn geboortestad en werd er door de magistraat plechtig ontvangen. Er werd met enige duidelijkheid vastgesteld, welke de hoge betekenis van zijn geleverde werk was, die trouwens naar een goed einde verliep.

De onderhandelingen en besprekingen van 10 februari 1609 leidde ertoe, dat het Twaalfjarig Bestand op 9 april van datzelfde jaar werd ondertekend. Onder het geluid van de jubelklokken trok Jan Neyen zijn patersgewaad terug aan en werd gewone ordebroeder.

Lang duurde het niet of de vorsten deden terug een beroep op hem. Vanuit Rome, waar hij eerder het algemeen kapittel van zijn Orde had bijgewoond, werd Jan naar Madrid gestuurd. De taak, die hem daar door de koning werd opgedragen, kon hij echter niet tot een goed einde brengen. Pater Jan Neyen overleed in Spanje op 20 november 1612.

Bronnen:
Zondagsvriend 07-02-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

dinsdag 26 november 2013

Cornelis Mens



Patriot Cornelis Mens
Cornelis Mens
Uit het huwelijk van zijdekoopman Cornelis Mens en Maria Theresia Stoopen, woonachtig op de Melkmarkt werden Michiel Jozef Frans Mens op 30 augustus 1749 en Cornelis Jacob Jozef Mens op 2 mei 1752 geboren. Beide broers werden gedoopt in de O.L.V. Kerk in het Noordkwartier en gingen door het leven als Frans en Cornelis Mens .

Beiden zijn met hart en ziel begaan met de ontwikkeling van de ambachten. Cornelis is er opperdeken van het Hoofdambacht der Meerseniers en heeft de taak het ambachtswezen te verdedigen tegen de vernielende politiek van Brussel.

Naast Petrus van Eupen (1744-1804) waren de gebroeders Mens de vooraanstaande figuren tijdens de Antwerpse opstand tegen de Oostenrijkers. De patriottentijd in de Antwerpse geschiedenis was een kolfje naar de hand van Hein Van der Noot met een eigen Vonckistische toon. Dit zorgde ervoor, dat de gebroeders Mens niet tot hun recht kwamen. In de literatuur is er steeds sprake van een "zekere Mens", zonder, dat het vermoeden aanwezig is, dat het om twee verschillende personen gaat. Vandaar, dat er maar enkele nota's hier worden weergegeven.

Wanneer in 1787 de patriottische genootschappen begonnen tot ontwikkeling te komen, maakten beide broers deel uit van het "Groen Genootschap", dat in de "Gekroonden Steur" was gevestigd. Daarin hield men zich bezig met het verdedigen van 's lands privilege.

Op 4 augustus 1788 kwam Antwerpen voor een eerste maal in opstand tegen het Oostenrijks Bewind van Keizer Jozef II. Daarbij vielen er 21 doden en zwaar gekwetsten. De dag nadien namen de dragonders weerwraak. Men zou de bisschop publiek gevangen zetten...Werden verder gevangen genomen op de Meir: "notaris E.J. de Quertenmont en koopman Frans Mens. Verder werden pater Tourbé, advocaat De Visser en notaris de Lincé aangehouden, maar wisten te ontsnappen".

Op 27 september kreeg notaris E.J. de Quertenmont zijn vrijheid terug, maar Mens stelde zich zo vijandig op, dat hij vastgehouden werd. Toch wist hij te ontsnappen op 2 november, maar zijn vrijheid was van korte duur. Opnieuw werd gevangen gezet.

Intussen moesten de dekens der ambachten in februari 1789 verantwoording gaan afleggen te Brussel wegens hun opstandigheid. Cornelis Mens verscheen als eerste. Zijn broer Frans werd op 19 april 1789 te Brussel vrijgelaten en kwam met een zieke cellenbroeder te Antwerpen aan. Men werd er triomfantelijk ontvangen met een gebruikelijke aubade van destijds, dit ter verontwaardiging van de militairen.

Meteen kwamen beide broers aan het hoofd van hun beweging te staan. Wanneer de verkiezingen plaatsvinden voor de bevrijde Staten, dan wordt opperdeken Cornelis Mens van Antwerpen naar Brussel gestuurd. Zijn broer Frans, sneuvelde op 22 september 1790 tijdens de strijd tegen de Oostenrijkers in de functie van majoor en stond aan het hoofd van de Antwerpse patriotten te Bouvigne Assesse.

De hierboven afbeelding van Cornelis Mens werd in 1790 getekend door schilder A.B. de Quertenmont, die in het album van de leden der Staten werd opgenomen. Naar verluid is het de eerste maal, dat zijn portret in 1932 werd gereproduceerd. Aansluitend nog het volgende: "de patriotten van Antwerpen zijn door de jaren heen meer en meer verdonkeremaand geworden".

Bronnen:
Zondagsvriend 31-01-1932
Oud-Antwerpse¨Portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

maandag 25 november 2013

Pieter Jan Simons van Eupen 1744-1804

Petrus van Eupen 1744-1804
1744-1804
Petrus van Eupen werd op 12 november 1744 te Antwerpen geboren. Hij studeert theologie te Leuven en werd in 1766 priester. Met zijn priesterlijke titel werd hij verbonden met het familie-eigendom "de Meireminne"(meerminne), dat uit een grote hof bestond in de Durletstraat. Als professor gaf hij les in het Bisschoppelijk Seminarie gelegen aan de Schoenmarkt en werd kanunnik in het O.L.V. in 1775. Kort daarna werd hij deken "censor librorum" en groot-penitencier (groot-penitentiaris) in 1776.

Onder de geestelijkheid van Antwerpen was hij de leider van de beweging die tegen de hervormingen was van Keizer Jozef II en werd lid van het patriottisch comité van Breda. Hij, was er de raadgever van Hein van der Noot. In de patriottenperiode had Petrus de titel van "Secretaris der Verenigde Staten". Vervolgens bewerkstelligde hij het verbond tussen de Staten van Brabant en die van Vlaanderen tegen Keizer Jozef II. Op 18 december 1789, deed van Eupen samen met Hein van der Noot zijn triomfantelijke patriottenintrede te Brussel.

Op 11 januari (1790) werd van Eupen, Staatssecretaris van ons land. Zijn invloed deed hij zodanig gelden, met in het bijzonder zijn afkeer voor de Franse Revolutie en anti-Vonckisme. Dit belette hem niet om te Douai onderhandelingen te voeren met de Vonckisten. Dit werd hem echter kwalijk genomen door de extremisten binnen zijn eigen beweging. Ondertussen verzette het buitenland zich tegen de Brabantse Revolutie, die de opvolging van het land aan de opvolger van Jozef II verzekerde.

Een tevergeefse reis door van Eupen naar Den Haag om er de steun van de Hollandse groot-penitentiaris te krijgen. Doch van Eupen hield vol en probeerde de Europese diplomatie te overtuigen, dat werk moest gemaakt worden om België als onafhankelijk land te erkennen. Pas daarna kon er maar sprake zijn van herstel van de Oostenrijkse vorst als Hertog van Brabant.

Door de halsstarrige houding van Petrus van Eupen, keerden de Oostenrijkers zich tegen hem en kwamen met veel wapenvertoon terug. Van Eupen vluchtte daardoor naar Holland en keerde pas naar België terug tijdens de tweede Franse inval in 1794. Hij, werd als gijzelaar gevangen genomen en achtereenvolgens naar Rijsel, Parijs en Bicêtre overgebracht. In 1795 kreeg van Eupen zijn vrijheid terug en trok naar Jutfaas bij Utrecht. Daar overleed hij op 14 mei 1804.

Verder wordt er door Floris Prims verwezen naar de "Biographie Nationale", de "Wijkboeken der Markgravelei" en de "Kroniek van Antwerpen" door Van der Straelen.
Het hierboven weergegeven portret, dat door A.B. de Quertenmont werd ondertekend, heeft tevens in 1790 een groot portrettenalbum samengesteld van de leden der Staten van België (Etats Belgiques)

Bronnen:
Zondagsvriend 24-01-1932
Oud-Antwerpse Portrettengalerie van Floris Prims

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

zondag 24 november 2013

Kasteelbrand Van Nieuwenhoven in 1932

Kasteel van Nieuwenhove voor de brand
Kasteel van Nieuwenhove voor de brand
In de tweede helft van januari 1932, woedde een hevige brand in het kasteel van Nieuwenhoven nabij Sint-Truiden, dat eigendom was van baron des Moffarts. Het was zijn schoondochter en weduwe des Moffarts, die na een feest thuiskwam van Hasselt, zag, dat het kasteel in brand stond.

Desolaat beeld van de voorgevel van het kasteel
De voorgevel van het kasteel na de brand
De zijgevel
De zijgevel
Hulp werd ingeroepen van Sint-Truiden en van Hasselt. Wanneer de spuitgasten echter ter plaatse toekwamen stond het prachtige kasteel in lichterlaaie. Zij stonden voor een hopeloze opdracht en probeerden de omliggende gebouwen te vrijwaren.

Het overgrote gedeelte van het kasteel was ongeveer zeventig jaar oud. Het oude gedeelte, dateerde echter uit de jaren 1600 en bleef grotendeels gevrijwaard. Alles binnenin het kasteel werd verwoest. Kostbare tapijten, oude meubelen, zeldzame kunstvoorwerpen... werden vernietigd. De schade was onoverzichtelijk en niet te schatten.
Sfeerbeeld van de uitgebrande toren
Een van de uitgebrande torens
 

Over de oorzaak, tastte men in het duister. Men vermoedde, dat de brand zijn ontwikkeling vond in een oude schouw en daar tot ontwikkeling is gekomen. Men had deze schouw, die jaren in onbruikbaarheid was gesteld enkele dagen voordien weer in dienst gesteld.
 

Het  kasteel stond toen bekend als een der schoonste praalgebouwen uit de streek. De muren bleven intact en konden heropgebouwd worden. Dit kon niet gezegd worden van het kostbare meubilair.


Algemeen zicht van het kasteel na de brand
Het tot puin herleide kasteel

Bron:
Zondagsvriend 31-01-1932
 Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.



De brandramp van circus Sarrasani te Berchem in 1932




De tot puin herleide kleedkamers
De kleedkamer in puin herleid
Tijdens de nacht van dinsdag 12 op woensdag 13 januari 1932, vond er een ware brandramp plaats in het circus Sarrasani, die zich opgesteld had op de militaire terreinen te Berchem.

De oorsprong van de brand moet ontstaan zijn in de kleedkamer. Daar lag voor ettelijke miljoenen oude Belgische franken aan gewaden opgestapeld. Het was een dienstdoende nachtwaker, die tijdens zijn ronde, de pas ontwikkelende brand opmerkte en vlammen zag opstijgen uit het dak van de kleedkamer. Onmiddellijk werd er alarm gegeven.

Desolaat beeld van de olifantenstallen
De vernielde stal van de olifanten
De ter plaatse zijnde circusbewoners en de brandweer van Berchem, die snel ter plaatse waren, probeerden om de vuurhaard, die zich snel uitbreidde nog te doven. De waardevolle kleedkamer stond toen al in lichterlaaie.

Ondanks de bovenmenselijke inspanningen kon niets worden gevrijwaard. Krachtige rukwinden met een orkaankracht, zorgden ervoor, dat vuurgensters terechtkwamen op de stallen waarin de olifanten zich bevonden. Het duurde niet lang of ook deze vielen ten prooi aan de vuurmassa.


Olifant "Prinses", bezweken aan zijn opgelopen verwondingen
Olifant "Prinses", die aan de opgelopen
verwondingen overleed.
Toegesnelde circuslui, deden verwoede pogingen om de zenuwachtige tweeëntwintig kolossen nog van hun kettingen te bevrijden. Te weten, dat ieder dier met twee poten aan loodzware kettingen vastlagen. Ondertussen vielen niet alleen brandende lappen zeil op de ruggen van de olifanten, maar had ook hun bed van hooi en stro vuur gevat, wat de reddingspogingen levensgevaarlijk maakten.

Toch slaagde men erin alle dieren te bevrijden en sloegen een tiental olifanten op de vlucht, richting tentoonstellingsterreinen. Olifant "Prinses", viel van een hoge muur in een vesting achter de kazerne van de Genie.

Met uitzonderlijke viel moeite kon men de kolos weer op de begane grond krijgen, maar was zodanig zwaar toegetakeld van zijn opgelopen brandwonden en een geweerschot boven zijn oog, dat het de dag nadien overleed. Ook olifant " Adèle" zou aan haar opgelopen verwondingen overlijden. In totaal liepen tien olifanten brandwonden op. Lang was er gevaar aanwezig, dat de vuurzee ook de tijger- en de leeuwenhokken in hun greep zouden krijgen.

Circusartiesten helaas op zoek naar hun bezittingen
De circusartiesten op zoek
tussen de restanten naar
eventuele overblijvende
bezittingen, maar helaas!

Wanneer de dag nadien, de overblijvende circusmensen, die in de stad logeerden, ter plaatse kwamen, konden zij alleen maar lijdzaam toekijken, hoe al wat zij maar bezaten, vernield zagen zien. Velen onder hen waren volledig geruïneerd, daar zij al hun spaarcenten in hun koffers hadden gedeponeerd.

De schade bedroeg meer dan vier miljoen oude Belgische frank (ongeveer 2.200.000 euro nu), waarvan een vierde maar door de verzekering werd gedekt. Wat de schade aan de dieren betrof en ook aan de twee dode olifanten kon men geen uitsluitsel geven.

Over de oorzaak, was men het eens, dat het om geen kortsluiting kon gaan, daar de stroom was afgesloten tijdens de nacht. Twee denkpistes werden er door het Parket weerhouden, namelijk:
"onvoorzichtigheid vanwege het artiestenpersoneel, die in de kleedkamer nog zouden kunnen gerookt hebben of kwaad opzet".

Brontekst:
Zondagsvriend 24-01-1932
Noel De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.