maandag 25 april 2011

Jules-Joseph d'Anethan 1803-1888


Laatste update: 24-10-2013


Minister van Staat Jules-Joseph d'Anethan (1803-1888)
Jules-Joseph d'Anethan (1803-1888)
Staatsminister Jules-Joseph d’Anethan overleed op maandag 8 oktober 1888. De liberale kranten uit die tijd spraken met eerbied bij het overlijden van d’Anethan.

Hij werd te Brussel geboren op 23 april 1803. In 1826 werd hij substituut van de procureur des Konings en in 1831 werd hij procureur des Konings te Dendermonde. Het jaar daarop werd hij substituut van de procureur-generaal bij het Beroepshof te Brussel om er tenslotte benoemd te worden in 1836 bij datzelfde Hof als advocaat-generaal.

Baron Jean-Baptiste Nothomb (1805-1881)
Jean-Baptiste Nothomb (1805-1881)

In 1843 verliet hij het rechtswezen en stapte in de politiek. Op 16 april 1843 werd hij gevraagd om deel uit te maken van het Ministerie van Jean Baptiste Nothomb, waarbij hem het Ministerie van Rechtswezen (Justitie) werd toevertrouwd. Hij bleef Minister tot in 1847. Dit was het jaar waarin de liberale partij de meerderheid hadden verworven.


artikel begrafenis d'Anethan
Gazette van Brugge
10 oktober 1888
Voordien in 1844 werd hij als vertegenwoordiger verkozen voor het arrondissement Leuven. In 1849 werd hij als Hoogkamerheer (Senator) verkozen voor het arrondissement van Tielt en zou steeds herverkozen worden tot wanneer hij omwille van gezondheidsredenen in 1888, zijn ontslag gaf. In 1856 werd baron d’Anethan tot waardigheid verheven van Staatsminister.

Wanneer in 1870, de katholieke strekking terug de meerderheid waartoe hij behoorde, hadden verworven, werd hij door de Koning belast tot de vorming van een nieuwe regering. Doch moest hij in 1871 met zijn ambtgenoten ontslag geven, door het aanhoudende liberale straatoproer. Dit kwam voor hem hard aan, temeer er in 1872, zij terug het voorwerp werden van talrijke betogingen.

In 1884 werd hij tot voorzitter van de Hoogkamer (Senaat) verkozen, waarbij hij de stemmen kreeg van zijn tegenstrevers. Op 7 mei 1888 werd baron d’Anethan, op een schitterende wijze vereerd door het arrondissement van Tielt, die aan hem een feestmaaltijd aanboden met daarbij een mooie grote medaille als blijken van erkentenis. Op de medaille stond aan de ene kant de afbeelding van hem en op de andere kant een beschrijving van zijn politieke loopbaan.

Bron:
Gazette van Brugge 10 oktober 1888

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
©Noël De Mey

zaterdag 23 april 2011

Het overlijden van Mgr. Hendrik-Frans Bracq (1804-1888)

Laatste update: 24-10-2013

Mgr. Hendrik-Frans Bracq (1804-1888)
Mgr. Hendrik-Frans Bracq
1804-1888
Hendrik-Frans Bracq werd te Gent op de St.-Baafsparochie geboren op 26 februari 1804. Na zijn middelbare studies met onderscheiding voltooid te hebben, ging hij op 18 december 1821 naar het Seminarie om er op 27 mei 1825, de geestelijke kruin, der mindere orde en het subdiaconaat te ontvangen.

Op 2 augustus 1827 werd hij tot priester gewijd in het aartsbisschoppelijke paleis van Mechelen. Kort daarna werd hij aangesteld als bijzondere leraar in het Schriftuur en Godgeleerdheid van de jongelingen, die door tijdsomstandigheden belet waren in het Seminarie te treden. Zij kregen dan ook de naam toegewezen van de ‘Bracquisten’.

In 1829 werd hij coadjutor van de pastoor St.-Marijn ( Akkergem) te Gent. Vervolgens op 3 februari 1830 werd hij leraar van het H. Schrift benoemd in het Seminarie. Een ambt, dat hij zonder onderbreking zou blijven waarnemen tot aan zijn benoeming tot bisschop van Gent. Vijf jaar later werd hij tot bestuurder benoemd der kloosters van de Visitatie. Hij zette zich verder in met zijn nauwgezet beleid tot het ontwikkelen en vooruitgang van het laag- en middelbare onderwijs voor burger- en volkskinderen.

Hij werd als erekanunnik aangesteld op 12 mei 1834, Synodale examinator en in 1838 lid van de Bisschoppelijke Raad. In 1849 als kanunnik titularis theologie en in 1864 Doctor in de Godgeleerdheid, ‘honoris causa’. Het werd voor hem ook een beslissend jaar, dat zijn leven verder zou bepalen. Door het plotse overlijden van Mgr. Delebecque, op 1 december 1864, werd erekanunnik Bracq nog dezelfde maand op 27 december als nieuwe bisschop van Gent benoemt.

Zijn benoeming werd met veel geestdrift en enthousiasme onthaald van het bisdom, maar ook van de Gentse bevolking. Hij was immers een lid van een der voornaamste achtbare families, van Handel en Nijverheid van Gent.

Zijn bisschoppelijke wijding met inhuldiging vond plaats op 1 mei 1865. Gedurende de 23 jaar, dat hij in zijn bisdom verantwoordelijk was, wist hij verschillende katholieke werken tot een goed einde te brengen. Zijn voornaamste werken waren: "de St.-Pieterspenning, de voortplanting van het Geloof, de Broederschappen van het H. Hart, de werkmanskringen, het Aartsbroederschap van de H. Franciscus-Xaverius en de conferenties van de H. Vincentius a Paulo".

Bovendien stelde hij bijzonder belang in het Werk der behoeftige Moeders, waarbij zijn bescherming over de Vlamingen tot ver buiten het land reikten. Hij stelde priesters van zijn bisdom, aan het hoofd aan van het Werk der Vlamingen te Parijs. Hij stuurde ook een Vlaamse priester naar Argentinië om er de geestelijke noodwendigheden te voorzien van zijn landgenoten.

Op zondag 17 juni 1888, om 07u00, overleed Mgr. Hendrik-Frans Bracq in het volle verstand van zijn geestesvermogen. Hij werd opgevolgd door Mgr. Hendrik Lambrecht.

Bron:
Gazette van Brugge 20 juni 1888
© SABAM

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noêl De Mey

Wat reuzengeschiedenis van Brugge


Laatste update: 24-10-2013

Brugge had eeuwen geleden reeds zijn Ros Beiaard, reuzenmannen en vrouwen.

Joost De Damhouder vertelt in zijn ‘Cronycke van Vlaenderen, omstreeks het jaar 1550, over de Reus Goliath en het paard van Troye oft ‘Rosbeyderspeerdt’ anders geseyd ‘Het Peerdt van Amesien ‘, die in dezelfde H. Bloedprocessie ging. 

Poertoren met kruitmagazijn
Poertoeren met kruitmagazijn
aan het Minnewater te Brugge
Er was reeds in 1512 al sprake van de Brugse reus ‘Goliath’, die door een verschrikkelijke brand op 7 maart 1575 om het leven kwam. De Brugse reus ‘Goliath’, had destijds zijn onderkomen in een schuur, dat naast de Poertorre gelegen lag.

‘….so barnden, up de moere, beede de scheuren van den Stedenhuuse, ten Minnenwater, daeraf d’eene was twerckhuis ende d’andere daerinne stonden de reuze ende alle andere toghen van de stede, dienen ter decoratie van den heilgen bloeddach: die ooc al verbarnden: en was ’s anderendachs oheschauwet naer costume. (Secrete Resolutieboec)’

Het was in deze schuur waar dat ook nog ander stadsmateriaal gestapeld stond, een brand zou woeden. Goliath, de mythologische sprookjesfiguur kon tegen het hellevuur niet optornen en moest het onderspit delven. De kolos onderging een verschrikkelijke vuurdood en verdween voorgoed.

Nieuwe Brugsche Reus in 1666

Pas in 1666, zou Brugge terug een geboorte mogen meemaken van reus ‘Trevanus’, die een dochter had, ‘Rosalie’ genaamd en met de Perzische reus ‘Aureliaan’ in 1670 huwde. Vervolgens kreeg Trevanus nog twee zonen namelijk ‘Majoraen’ en ‘Grudius’.

In een handschrift dat dateert uit 1686, die acht bladzijden telt (0.16 x 019m), staat een beschrijving te lezen, over de jaarlijkse ommegang:

‘Korten tijd daer naer volgde den gewoonelvcken ommegang van reusen, reusinnen, Rosbeyaertspeerd en verscheyde andere wagens seer aerdig opgepronckt tot groote genoechte van de aenschouwers’.

In de Chronycke van Vlaenderen door N.D. en F.R., nóg over 1686, is er sprake van:

‘…den befaemden Reus Trephanus verselt met vier kleyne Reuskens en soo veel Reusinnen, maer al even bevallig als konstig aengetackelt’.

Een zekere dichter Gheleyn Scheppers, schreef enkele maanden voordat de Meifeesten plaatsvonden, het volgende:

‘Men plagh weleer te sien oock jaerlycksche vreughden,
‘Als ’t landt in ruste was, en dat tijden deughden:
‘Men sagh een reus in Brugh’ met een Ros-Bayaert peert.
‘Maer door ons sondens straf is ond die vreught gheweert’.

Brugge kreeg er nog Reuzen bij

Nu moet men weten, dat het land toen tot over zijn kop jarenlang in grote oorlogen van Lodewijk XIV waren verzeild. De Bruggelingen noemden hem ‘Pietje Quatorze’ met zijn grote mond. Hij droomde weliswaar van roste duivels en uitte de wens, om het land geheel in te palmen daarmee.

Maar 1686, was voor Brugge een jubeljaar voor het Heilig Bloed. Willen of niet…Brugge zou vieren. Het was immers honderd jaar geleden dat Jan Perez de Malvenda het H. Bloed uit de klauwen der geuzen verlost had.

Met de reuzenfamilies stelden onze goede voorouders zich ook overal nier meer tevreden. Er moesten er steeds meer zijn! Grootvader en grootmoeder werden uitgenodigd, daarboven nonkel met matant met de schoonzoon en daarbovenop de vrienden. Zo stapten te Lier en te Brugge in het laatst van 17de eeuw negen reuzen in de stoet.

Reus Trevaphanus, kwam na het treurdicht van bovenvermelde Scheppers met zeven andere Reuzen op de proppen, om in de ommegang deftig mee te stappen. Het jaar daarna, volgens het boekje van Van der Plancke ‘thesaurier’ van Brugge, staat te lezen, dat er vier nieuwe Reuzen, die luisteren naar volgende namen:

‘Macharius, Poliphemus in een kinderwagen gelegen, Orestes en Machogge, die de vrouw was van Trefaen. De vrouw van Trefaen, die aardig was aangetroeteld met dikke kloefen, hoort men dikwijls heden ten dage nog zeggen, wanneer men er uitziet zoals zij: ‘Né!....’t is lijk moeder Machogge’.

Het verhaal van de Reuzen gaat nog verder. Er is sprake van wanneer Reus Trevanus terugkeert van het beleg van Wenen, hij de Turk heeft verslaan. Reus Aurelianus vond het op zijn beurt jammer dat hij bij Diederik van den Elzas en bij zijn vader niet was, om er mee te vechten.

Ieder jaar terug tot aan 1696, bracht men nieuwigheden in het Reuzenvertoon. Misschien doen we er goed aan, om de geest uit die tijd der Reuzen beter te verstaan en in een kader te brengen. Iets dat eigenlijk niet misplaatst zal zijn. Alles kwam ten berde in stoeten zoals deze van:

’‘Ortuyne’, de laatste ‘steersterre’, de ‘Pellicaen’, ‘den Bergh Parnassus’, met de neghen Sanghgodinnen, dewelke het Bloed Christi singhen weerdiger als den Hypocreenschen Vloedt’ ‘den Hemel-en den Hellewaeghen van Brugghe’ met de duivels: ‘Hentje peck, Pluto, Rhadamantus, Mahomet, Asmodeus, Satan, Belial en Leviathan’.

Stamvader Trevanus kwam aan het woord en citeert:

‘Godt lof, hier ben ick bij mijn huisgezin verschenen
Vol pracht en heerlijkheid; mijn droefheid is verdwenen.
Al ben ik buiten in het land, dan hier geweest
Nu ben ik heel gezind dees Brugsch kermisfeest
En dese jubilé met vreugde in doorbringen,
Om wat vermaeck te doen aen dese vreemdelingen.
Wat dunkt u, Aureliaan, van zoveel vreemde lien?

Aureliaan

Ik heb nimmerzeer zooveel bijeen gezien!
Papa! Hoe, komen zij bezien onze kleren?

Trevanus

Neen! Maar zij komen hier begroeten ’t Bloed des Heeren
Dat over 100 jaar in ‘tkristallijne glas
Verheven werd gelijk het van te voren was,
Dat Frederick de Graaf alhier tot Brugge brachte
Wanneer men schreef het jaar elfhonderd veertig achte’.
Enz., enz.

Hoe zagen onze reuzenpoppen er eigenlijk uit? Hun lichaam was meestal van bordpapier gemaakt. Daar bovenop wordt dan soms een kunstige houten kop opgeplaatst. De handen zijn meestal van hout De onderste ledematen zijn vervangen door die van de dragers, die onder de lange rok verborgen lopen.

Wandelende en rijdende reuzen waren voorafgegaan door trommelgeluid en fluit of soms van een ‘moeselaar’ of doedelzakspeler. Niet overal waren ze echter tevreden over deze muziek en werd dit door vioolmuziek vervangen.

Gaan we nu naar het jubeljaar van 1749, waar dat er op 3 en 18 mei van dat jaar de generale processie uitging, volgens de beschrijving van de vreugdeteeckenen van Andreas Wydts:

Toen de ‘Processie van Devotie naer den 12 uren binnen’ was en nadat de ‘Busschieters staende gerangeert voor het Stadt-huys, sonder dan te spaeren poer, dry mael hunne Musquetten ghelost hadden, ten tijde dat het H. Bloedt op de Capelle weg gestelt wierdt’, begon ‘den ommegang van de zeven Triump-Wagens’ ‘de Rijbende of Calvacade’ en ‘de Verthooningen gegeven bij de respectieve Ambachten ende Neringen’.

De ‘Verthooningen’ bestonden uit een heelen reesem gepinte wagens met al de beesten op van den dierentuin en wildemans rondom en heidensche goden, water- en boschgodinnen….Ook Bacchus was erbij. Zo trokken een pelikaan, een arend, een zwaan, een feniks, een struisvogel, een os, eenn nachtegaal, een kemel, een rhinocerus, een krokodil, een walvis en een eenhoorn voorbij.

De pelikaan, die sedert alouden tijden symbool stond voor vader- en moederliefde, thans van de Zaligmaker zelf, die ons in ’t Heilig Sacrament met zijn eigen Vleesch en Bloed spijst, was aangewezen om in de verheerlijking der heiligen een grote rol te spelen. Daarom stelde hij in Brugge in 1749 d’oprechte liefde’ voor. De zwaan beelde op zijn beurt het zinnebeelde uit van de stervende Christus.


De Brugse reuzen uit 1749
Ros Beiaard van Brugge 1749
Het Ros Beiaard van Brugge 1749
En allen, met evenveel devotie, zongen, klongen en dopten dichten af…ter eere van het Heilig Bloed. Dan volgden het ‘Ros-Beyaertpeerdt met de vier Aymons-kinderen daerop sittende en vier Schildt-knaepen te voet’.Het Ros was 25 voet hoog. Bruanus was de oudste broerder. Dan volgden Caucatius, Sanarus en Conigentius. De vier schildknapen heten: Stautavus, Ingelbertus, Vosenus en Fabianus.

De Brugse reuzin Floriana 1749
De Brugse reuzin Floriana 1749
Eindelijk kwamen de Reuzen. Het was immers 53 jaar geleden dat men ze niet meer gezien hadden. Eigenlijk lag het stadsbestuur een jaar ten achter met de viering van dit jubeljaar. De stad Brugge wilde niet eerder beginnen zolang zij van de Fransen niet ontdaan waren. Het feest dat destijds zijn doorgang had, had véél mooier kunnen zijn, want "het speet de Borgers seer, dat sij hun werck niet naer wensch hadden kunnen voltoyen, door tydt gebreck".


De Brugse reuzin Fedelia 1749
De Brugse reuzin Fedelia 1749
Als eerste in de rij zag men reuzin, dochter ‘Floriana’, die 15 voet hoog was. Gevolgd door reuzinmoeder ‘Fidelia’, die 21 voet hoog was, met daarna de nagelnieuwe Reus ‘Germanus’; die 26 voet hoog was.
Reus Germanus was de zoon van Aureliaen en Rosalie uit 1670 en moest grootvader zeggen tegen Trevaen uit 1666. Dat geslacht was immers volledig uitgestorven. Dit volgens Stadsdrukker Andreas Wydts, die woonachtig was in de Breydelstraat in St.-Antonius. Na 53 jaar van afwezigheid, zo vertelt Reus Germanus in de stoet, kwam hij zijn ‘hou en trouw’ bieden aan Prins Karel van Lotharingen, om ons ‘Vlaemsche Recht te helpen Staeven’!

De Brugse reus Germanus 1749
De Brugse reus Germanus 1749
In de ‘Jaerboeken van Custis’(1704-1752), vind men dezelfde Reuzen. Maar in het boek met titel: ‘Beschryvinge van het Dierbaer H. Bloedt Jesus Christi’, uit 1749 gedrukt bij J. Beernaerts (26 blz.) worden de Reuzen en het Ros anders voorgesteld. Ook Beernaerts woonde in de Breydelstraete.

De ergste vijanden van de reuzen

Maar om te besluiten hadden de reuzen ook hun vijanden. Hoe vreemd ook het moge wezen, toch moesten deze goedaardige loebassen alert zijn. Buiten het vuur waren hun gevreesde vijanden, de ratten en de muizen, die hun karkassen stuk knaagden met hun scherpe tanden . Niet alleen dat, maar ook was het de mens zelf, die ooit deze reuzen lieten verbranden.

Het verbod van 1786

In 1786, verbood Jozef II en de koster, die met verontwaardiging de stoeten aanschouwde, om nog zulke vertoningen te laten doorgaan. Vervolgens zorgde de Franse Revolutie, de Scansculotten ervoor, dat zij op de brandstapel terechtkwamen, onder het zingen van een dolle ‘Carmagnolle’ en van het huilen van een woeste ‘ça ira’.
Het waren de oorlogen, die de dorpen en steden verwoesten en zo de bloeiende oorden in vormeloze puinhopen deden herschapen. Maar geen enkel van deze machten slaagde er ooit in, om het geslacht der reuzen uit te roeien…

We maken een sprong naar 1947

In West-Brugge maakten de inwoners in 1947, de geboorte mee van een eerste nieuwe reus, die naar de naam Gravin d’Essar zou luisteren’. Het jaar daarop in 1948, kwam reus Portos haar vervoegen. Twee jaar later in 1950, was het terug feest in de wijk van West-Brugge, want reuzin en marktkraamster Moeder Louise, deed haar intrede. Het was nog niet gedaan, want in 1954, maakte Medard De Cloedt (1907-1965), zijn laatste Brugse reus, Robrecht van Bethune.

Zijn inspiratie tot het maken van reuzen moet gezocht worden bij het betrekken van het café ‘Wit Huis’ destijds gelegen op de hoek van de Smedenstraat en Guido Gezellelaan. Op zijn zolder lag er een loodzware plaasteren reuzenkop.  
Brugse reuzen op de Burg in 1957 vlnr.: Gravin d'Essar (1947), Portos (1948), Moeder Louise (1950) en Robrecht van Bethune (1954)
De vier Brugse reuzen op de Burg in 1957 vlnr.: Gravin d'Essar,
Portos, marktkraamster moeder Louise en Robrecht van Bethune.
Deze Brugse reuzenfamilie werden door wijlen Medard De Cloedt
(1907-1965) tot leven gebracht.
Hoe deze er daar terecht gekomen was, wist niemand, die ooit destijds deel hadden uitgemaakt van zijn folkloristische groepering nog te herinneren. Optillen lukte helaas niet!
Naar verluidt heeft men deze kop moeten stukslaan om het naar beneden te kunnen brengen.

Na het overlijden van Medard De Cloedt in 1965, bezieler en ontwerper van zijn vier loebassen, treurden de reuzen om het verlies van hun schepper. Zij bleven lange tijd opgeborgen en bleven doelloos voor zich uitstaren.

Misschien nog dit: ‘ De reuzen van Nevele, vooral Wouter van Nevele en Joanna van Beveren, tonen vele gelijkenissen met gravin d’Essar en Robrecht van Bethune'. Er wordt in hun voorstelling en herkomst van beide reuzen, naar Medard De Cloedt verwezen.

Bronnen:

Zie het boekje geschreven door Dr. C. De Baere (N.V. Standaard-boekhandel- Brussel uit 1930), dat gaat over: ‘Onze Ommegangsreuzen’.
Vervolgens ook Biekorf ‘H. Bloedprocessiën’, door H. Rommel, jaargang 1900
Jaerboeken van Custis. Onder Carel den V Keyser XXXII Graeve


Foto’s: verzameling Noël De Mey
© SABAM

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey

woensdag 20 april 2011

De instortingsramp te Antwerpen en brand te Berchem in 1906


De krant ‘Het Huisgezin’ van zondag 18 maart 1906, blokletterden op hun voorpagina, dat er op een donderdagnamiddag begin maart 1906, een in opbouw zijnde hoofdschool voor meisjes in de Korte Ridderstraat was ingestort. Er waren toen dertien werklieden werkzaam, waaronder: ‘ 7 timmerlieden, 3 plafoneerders en 3 werktuigkundigen, die in de kelder een ketel aan het plaatsen waren’. Aannemer dhr.Uyteroeven en de toezichthouder der werken dhr. Melis, bevonden zich op dit moment in de kelder.
Een alerte plafoneerder kwam hen waarschuwen, dat een der vloeren aan het zakken was, daar zij dit aan hun stelling gewaar werden. Voor hun leven - al roepend - naar beneden rennend, waren zij nog niet volledig buiten of de vloer van het tweede verdiep stortte in. Door het gewicht begaf ook de vloer van het eerste verdiep en dat van het gelijkvloers. Alle puin kwam daardoor in de kelder terecht.

Diegenen die konden vluchten waren met verstomming geslagen. De drie timmerlieden die werkzaam waren op het gelijkvloers werden bedolven of meegesleurd naar de kelder met de dood tot gevolg.

De werktuigkundigen, die in de kelder werkzaam waren en geprobeerd hadden, de vlucht te nemen, werden op de trap enigszins verrast. De ingestorte vloer bleef gelukkig gedeeltelijk boven hun hoofden hangen. Zij werden wel ingesloten maar bleven ongedeerd.

Wanneer de reddingswerken goed op gang gekomen waren, stortte er een muur in en kwamen er twee reddingswerkers hierbij om het leven. Twee anderen en een politieagent liepen ernstige verwondingen op. Bij deze ramp vielen er zes doden te betreuren en zes levensgevaarlijk gekwetst. De verslagenheid onder de bevolking was groot.

Sigarenfabrieksbrand te Berchem-Antwerpen in 1906

Nog begin maart op een woensdag, om 08u30 brak er in de sigarenfabriek van de heren A. Claeys en van den Bussche, gelegen in de rue de la Paix te Berchem een omvangrijke brand uit.

Het enorme complex viel volledig ten prooi aan de vlammen. Pas omstreeks 11u00 werd men de vuurhaard meester, zodat er van uitbreiding geen sprake meer kon zijn. De schade bedroeg toen 500.000 oude Belgische franken wat nu zou neerkomen op ongeveer 3.000.000 euro.





Bron: 
Het Huisgezin, zondag 18 maart 1906
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

© SABAM

dinsdag 19 april 2011

Enkele stichters van Biekorf in 1890


E.H. Emiel Demonie (°1846)

E.H. Emiel Demonie, was een der stichters van Biekorf. Hij werd te Roeselare in 1846 geboren en overleed te Brugge in 1890. Was leraar van de vierde Latijnse klas aan het Klein Seminarie te Roeselare, daarna de dichtersklas, dan onderpastoor in 1879 in de Sint-Gillesparochie te Brugge en in 1884 werd hij leraar in de godsdienst aan de Rijksonderwijzerressenschool.E.H. Edward Van Robaeys (°1855)

E.H. Edward Van Robays, eveneens een der stichters van Biekorf, werd in 1855 te Egem geboren. Hij overleed in het Indische Samtoli in 1906. Als leraar in de telkunst en Wetenschappen was hij vanaf 1881 verbonden aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge tot 1892. Trad binnen in ‘Gez. Jesu om in 1894 als geloofsbode naar Sjota Nagpore (Chota Nagpur)in West-Bengalen te gaan werken.E.H. Jan Craeynest (°1858)

E.H. Jan Craeynest, een der stichters van Biekorf, werd in 1858 te Oostrozebeke geboren. Na zijn Seminarie vertrok hij naar Leuven voor het volgen van leraarschappelijke scholen. In 1883 werd hij leraar der Retorica het Sint-Lodewijkscollege van Brugge. Werd in 1892 onderpastoor te Moeskroen om er vervolgens pastoor te worden van de Brugse gevangenis in 1900 en van 1904 als pastoor werkzaam te zijn te Sint-Michiels-Brugge. Hij was de bezorger van de uitgave in boekvorm van ‘Loquela’ na het overlijden van Guido Gezelle.E.H. August Van Speybrouck (°1843)

E.H. August Van Speybrouck, die ook tot de stichters behoorde van Biekorf, werd in 1843 te Brugge geboren. Hij was achtereenvolgens onderpastoor te Adinkerke (1868), te Klemskerke (1873), te Gistel (1882) en was vanaf 1904 Krijgsherder te Brugge. Het was onder zijn naam en impulsen, dat Biekorf de wereld werd ingestuurd.Vrijheer Jan Bethune (1821-1894)

Vrijheer Jan Bethune, die geboren werd te Kortrijk in 1821 en overleed te Marke in 1894, was een bekende stichter van de Sint-Lucasschool. Hij was van in het eerste beginuur, een steun en constante medewerker van Biekorf. Stond in voor het tekenen van de hoofding en voor andere gedenktekens in Vlaanderen, o.a. dit van het praalgraf van Deken De Bo te Poperinge.




Bron:
Ons Volk ontwaakt 25 april 1914
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
© SABAM

maandag 18 april 2011

Kanunnik Lodewijk Van Haecke (1829-1912)

Laatste update: 31-12-2013


Kanunnik Lodewijk Van Haecke 1829-1912
Lodewijk Van Haecke
1829-1912
Lodewijk Van Haecke werd geboren te Brugge op 18 januari 1829. Hij was een vlijtige leerling, die vlug kon lezen en schrijven. Na zijn middelbare studies ging hij naar het klein en groot seminarie. Als subdiaken werd hij als professor benoemd aan het Bisschoppelijk college te Poperinge. Korte tijd daarna werd hij als leraar benoemd aan het Bisschoppelijk college te Brugge, maar dit was van korte duur. Hij trad er in het klooster der Jezuïeten. Ten gevolge van ziekte moest hij het klooster verlaten, nadat hij zijn noviciaat beëindigd had.

Kanunnik Lodewijk Van Haecke 1829-1912
Lodewijk Van Haecke
1829-1912

Hij werd kapelaan te Roeselare en daarna als professor benoemd te Oostende. In juni 1862 werd hij opnieuw naar Poperinge gestuurd. Daar had hij het gemunt op de Poperingse staatsman Arthur van Compernolle en belandde zo in de politiek. Er ontstonden al vrij snel vlugschriften over deze staatsman in het door hem opgerichte maandelijks tijdschrift ‘De Zeesterre’ van datzelfde jaar.

Oorspronkelijk was het de bedoeling om in dit tijdschrift iets voor kinderen te schrijven, maar in 1864 werd er door een soort van comité, beleefd aan Van Haecke gevraagd ontslag te nemen. De reden was omdat hij te oud geworden was. Mgr. Faict was daarmee niet opgezet en liet dit weten, omdat Van Haecke zijn onderwerpen scherp op de voorgrond kwamen. Een bijzonderlijk gedicht van hem was: ‘Pietje de Dood’

Pietje de Dood

"Er was te Roeselare een zeker ventje, Jan genaamd…Eens had Jan een droom. Ik droom, zei Jan, dat ik naar Menen ging te voete…Gekomen aan den Aap – dat is een plaats langs de steenweg – sprong ik over de gracht en ging in het bos, ik weet niet meer waarom. Als Jan een eindje gegaan had, verschoot hij opeens, om erbij dood te vallen. Hij zag er immers een verschrikkelijk mager ventje tegen een boom zitten op amper vijf stappen van hem…Het was Pietje de Dood".

In 1864 werd Van Haecke benoemd tot geestelijk koster op St.-Michiels te Roeselare. Maar daar had hij nagenoeg hele dagen woordenwisselingen met de burgerkoster. Een overplaatsing drong zich op en kwam op de Sint-Jakobsparochie van Brugge terecht. Als ceremoniemeester van de Heilige Bloedprocessie kwam hij geregeld in aanvaring met de hoofdceremoniemeester Z.E.H. Kanunnik Deleijn. De reden was veelal te vinden in het feit, dat Van Haecke de naam van Mgr. Faict omschreef als ‘ Fieta Facit’. Ondanks daarvan, kwam hij over het algemeen heel goed overeen met Mgr. Faict.
Kanunnik Lodewijk Van Haecke 1829-1912
Lodewijk Van Haecke
1829-1912


Nog een meesterwerk van Van Haecke in navolging van ‘De Zeesterre’ was, de uitgave in 1877 van ‘Sinte Godelieve van Ghistel’. Het was een echt Vlaams volksboek, gemoedelijk met eenvoudige vertellingen, waar de kinderen die in patronaten gehuisvest waren naar hunkerden.

Hoe het anders kwam, dat Van Haecke kanunnik van Antiochië werd, daarover het volgende:

‘De Bisschop van Antiochië was Brugge komen bezoeken met Van Haecke als cicerone (begeleider). De buitenlandse Eminentie had zich zo goed vermaakt, dat hij voor zijn afreis het volgende schreef naar Van Haecke: ‘ Je vous porte dans mon coeur’. Van Haecke zette een h tussen de c en de o (choeur) en bedankte de Monseigneur voor zijne verheffing tot erekanunnik van Antiochië

Met ouder worden, nam hij als kapelaan ontslag van het Heilig Bloed en behield hij de titel van Ere-hoofdkapelaan van het Heilig Bloed. Lodewijk Van Haecke overleed op 25 oktober 1912  op 83-jarige leeftijd.

Volgende boeken werden door hem geschreven:

Poperinghe;
De geschiedenis van het H. Bloed;
O.L.Vrouw van Asschebroeck;
Notre Dame de la Poterie , à Bruges,…


Bron :
Ons Volk ontwaakt 30 november 1912
De eeuw van Brugge 1900-1919 - Brugsch Handelsblad
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
© SABAM

Een Blankenbergse sage

Laatste update: 31-12-2013

Oorsprong - volgens de legende - der lapnamen bij onze vissers

In de jaren zeventienhonderd en zoveel, stond er aan de voet van de Blankenbergse duinen aan de oostzijde een hutje, waarin een toverheks verscholen zat. Niemand waagde er om ’s avonds in de omgeving te vertoeven of er voorbij te trekken, want men zou zeker betoverd worden. De schrik onder de Blankenbergse bevolking zat er goed in, totdat in 1791 een geweldige storm uitbarstte.

waar het hutje stond van de Blankenbergse heks.
waar het hutje van de Blankenbergse
heks stond

Najaarse orkaanwinden berokkenden enorme schade. De golven waren zodanig reusachtig groot, dat men ze tot in Uitkerke konden zien! De daken van de enge huisjes werden simpelweg weggeblazen, evenals de schrale hutjes werden tot gruis herleid. Tot groot jolijt van de bevolking bevond zich ook het hutje van het venijn erbij en lag zij onder het puin begraven.

Blankenbergse Heks
Blankenbergse heks aan het werk
in haar hutje
Feest alom te Blankenberge, met vreugdetaferelen rondom de plaats van de vermeende heks. Zo goed als alle inwoners kwamen hun vreugde luidruchtig uitschreeuwen, dit tot laat in de nacht. Ook de dag nadien kwam men terug naar de plaats om verder te vieren, want de verlossing was te groot om die maar in één dag te vieren.

Opeens, terwijl er iemand in het puin aan het roeren was, kwam er een zwart hondje gelopen, met bellen rondom de hals, dat naarmate in grote toenam en voortdurend riep!: …Roes, roes, roes! Zo kreeg het de naam van Roeschaard! Algemeen werd aangenomen en zelfs gevreesd, dat de heks in een dier was veranderd. Vanaf dit moment, vertoonde Roeschaard zich onder alle gedaanten onder de Blankenbergse mensen. Vooral onder de vissers. De hond veranderde soms in een kat, in een ezel en dikwijls in een visser.

Meermaals werd de rust der vissers tijdens de nacht verstoord, door te roepen, dat er storm op komst was. Andere keren sleurde hij kleine kinderen weg. Vervolgens bemoeide hij zich tijdens de gesprekken van de vissers. Een woord kon de Roeschaard als het ware onmogelijk uitspreken. Het was de naam van de Almachtige, die hij met ‘Pot’ aanspraak. Men is tegenwoordig nog altijd de mening toegedaan, dat er van deze legende nog steeds iets van waar moet zijn, want men hoort dikwijls onder de vissers zeggen: ‘Potdomme, Potverblomme,…’! Men denkt werkelijk, dat het een laatste spoor zou zijn van de Roeschaard.

De vissers spraken over niets anders meer dan over de "Roeschaard".
Dagelijks gespreksonderwerp
van de vissers over de
Roeschaard. Zij spraken over
niets anders meer.
Vooral de vissers kregen het hard te verduren en moesten het dikwijls ontgelden. Wanneer er een klein schuitje tijdens de nacht op de kalme zee aan het dobberen was, zag de waker van dienst, de Roeschaard plotseling verschijnen. De kwelduivel kroop langs de zijkant uit de golven op en deed door zijn kracht het vaartuig vervaarlijk hellen, zodat het bijna kapseisde. En met zijn geweldige geroep van roes, roes, roes,… sprong het weer in het water. Trok men de netten op, gebeurde het niet zelden, dat de Roeschaard erin zat. Schaterlachend verscheurde hij dan de mazen van het net om dan terug in zee te verdwijnen.

Ook de vissersvrouwen ondervonden de plagerijen van de Roeschaard. Dikwijls lag er een kindje naast het wiegje hevig te schreien. Een medelijdende vrouw, die zich ontfermde en het verzorgde moest tot haar grote verbazing en schrik aanhoren, dat het ukje luidop begon te lachen en de kreet liet horen van: ‘roes, roes, roes,…’ Op den duur sprak men niets over anders meer, dan van de Roeschaard en zijn pesterijen. Onnodig hier erbij te vertellen, dat de Blankenbergenaars, waarlijk hun leven vergald zagen zien en het meer dan moe waren. Maar er kwam een uitkomst en redding.

De vreemdeling in aantocht
De vreemdeling in aantocht
Er verscheen een man, die beweerde aan de helse kracht van de Roeschaard een einde te kunnen brengen. De man zelf was een vreemdeling, die een huisje bewoonde, dicht bij de plaats waar ooit de vroegere toverhut stond. In zijn huisje had hij een altaar opgericht, waarop een groot boek lag en een toverroede rustte, die onontbeerlijk bleek te zijn tijdens het uitoefenen van zijn ambt. Nadat hij enige dagen in zijn wonderboek had gelezen, vertoonde de Roeschaard zich niet meer te Blankenberge.

Alle vissers kwamen de man bedanken en wilden voortaan bevrijd blijven van de kwelduivel. De zonderlinge man zei: ‘…dat het nodig was om van naam te veranderen. Wie een lapnaam droeg en bleef dragen, zou voor altijd bevrijd blijven van de Roeschaard zijn plagerijen’. Iedereen waagde erop om van naam te veranderen. De zonderlinge vreemdeling, begon alle vissers te herdopen met zeewater, waaronder de Roeschaard de vissers niet meer zou herkennen. Hij sprak volgende woorden uit:

Ik doop u,
En Roeschaard,
Die lelijkaard,
Keere zich om,
Romme, dom,dom,
Uw naam is… (dan werd de lapnaam uitgesproken)

Hierbij ontstond het gebruik om de vissers te herdopen, totdat de Roeschaard helemaal was vergeten. Bij latere gebruiken was er zelfs geen spoor meer van hem te herkennen. Een volgend doopvers, dat in de loop der tijden in gebruik werd genomen, was de volgende:

De olme dol,
De versche dol,
Den edelbot,
Den advocaat,
Waer ’t waeter in gaet,
Uw naam is...

Heden ten dage is het gebruik van herdopen bij de vissers verloren gegaan. De lijst der lapnamen nam vanaf dit moment dan ook geen uitbreiding meer en gingen over van vader op zoon. Nooit werd een visser door zijn maten met zijn ware naam aangesproken en was de familienaam totaal onbekend.

Dit was een van de redenen, dat er bij het postbeheer van toen, in het visserskwartier heel wat brieven niet besteld konden raken, omwille van de lapnaam en adresloos waren. Kinderen van vissers die op school zaten, wisten zelfs hun eigen familienaam niet, gewoonweg omdat zijn steeds met hun lapnaam werden aangesproken. Lapnamen zoals: ‘Tabak, Spelle, Keerse, Schelemussche, Kloefe, de dikke, de magere, de scheele,…

Noot: deze sage werd voor een eerste maal gedeeltelijk in het Jaarboek van Conscience’s Genootschap te Blankenberge in het jaar 1873 neergeschreven. Hendrik Conscience verbleef veel te Blankenberge, had er veel vrienden en hield er het Vlaamse leven zo in stand. Bovendien vertoont de Blankenbergse sage veel gelijkenissen met die van "Lange Wapper", die te Antwerpen in de Schelde verbleef.

Bron:
Ons Volk ontwaakt 29 juni 1912
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

© SABAM

zondag 17 april 2011

Kunstschilder Jozef-Denijs-Maria-Ghislenus Odevaere (1775-1830)

Laatste update: 31-12-2013

Jozef Odevaere, was de adellijke zoon van advocaat-rechter Anselmus-Jan en van Maria-Anna de Brouwer, die ter wereld kwam op 2 december 1775 en gedoopt werd in de O.L.Vrouwekerk te Brugge.

Jozef Odevaere 1775-1830
Kunstschilder Jozef Odevaere
(1775-1830)
Zijn opvoeding gebeurde op natuurlijke verzorgde wijze met het volgen van de Latijnse lessen bij de paters Augustijnen. Wellicht om later hetzelfde ambt als zijn vader te kunnen vervullen. Vervolgens was hij een trouwe bezoeker van de academie, die uiteindelijk de bovenhand zou halen. Hij won alle prijzen in de mindere klassen van de Brugse kunstschool en behaalde op 11 juli 1797 de eerste prijs weg naar het leven.

Hij trok naar Parijs, waar hij de lessen volgde bij zijn stadsgenoot Joseph Suvée en vervolgens bij de Franse schilder Jacques Louis David. Dit onderricht benutte hij ten volle en werd daardoor op 17 september 1804, als primus te Rome uitgeroepen met zijn schilderij: ‘De dood van Phocion’.

Eenmaal in zijn thuisstad werd Odevaere op uitbundige wijze gevierd op 29 oktober 1804 (7 Brumaire, jaar XIII). Hij had de nacht voordien doorgebracht in het kasteel van Waardamme. Op de bewuste dag van de viering werd hij opgewacht door burgemeester baron de Croeser en de voorzitter van de academie, François Wynckelman ter hoogte van Steenbrugge. Ter plaatse mocht hij van Wyckelman een erepenning en gouden ketting in ontvangst nemen. Vervolgens reed men met koetsen via de oude St. Katharinapoort, Brugge binnen, waarbij de triomfklokken hun werk deden.

Op het stadhuis aangekomen in de koets, die getrokken werd met acht witte paarden, mocht kunstschilder Odevaere van de burgemeester de Croeser een geschenk in zilverwerk in ontvangst nemen. Ruim 200 genodigden kregen bij dit huldeblijken een heuse feestmaaltijd aangeboden.

Na zijn kort verblijf te Brugge, die maar enkele dagen duurde, keerde hij terug naar Parijs. Tijdens zijn verblijf in de Franse hoofdstad, stelde hij verschillende schilderijen tentoon en werd door Napoleon met een gouden penning vereerd. Het jaar daarop vertrok hij richting Italië om er acht jaar te verblijven.

In 1814 ontwierp hij een tafereel voor de Hollandse koning. Dit viel bij hem in zeer goede aarde, dat hij direct Odevaere als zijn schilder aanstelde. Het was voor België en zeker voor Brugge een grote eer, dat een stadsgenoot deze benoeming verkreeg.

Was het niet onder impulsen van Odevaere, die in 1815 op verzoek van koning Willem I, zich geen moeite spaarde, om de kunstschatten ons in 1794 door de Fransen ontstolen, terug naar België te doen terugkeren?

Artikel Jozef Odevaere (1775-1830)
Artikel Odevaere Brugsch
Handelsblad 27-03-1909

Wanneer De Brugse kunstschilder 43 jaar oud geworden was, trad hij op 16 september 1818 te Brugge in het huwelijk met Sylvia-Justina-Maria de la Rue in het huwelijk. Het echtpaar bleef echter kinderloos.

Odevaere, die lid der Genootschappen van Frankrijk, van Holland en sinds 1816 ridder der koninklijke Orde van de Nederlandse Leeuw was, woonde te Brussel toen hij er overleed. Volgens mijn geschreven bron, overleed hij op 9 februari 1830. Een andere bron spreekt dit tegen en spreekt van 26 februari 1830.

In de Brugse musea zijn werken te bewonderen en in de St.-Gilleskerk kan men op het grafmonument van zijn ouders een koperen portret door hem gemaakt aanschouwen, evenals het zijne en dat van zijn broers.

Bron:
Brugsh Handelsblad 27 maart 1909
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
© Sabam

Vincent Cocquyt 1850-1904

Laatste update: 02-01-2014

Eerste brandweercommandant van Brugge in 1881

Nadat Brugge voor de zoveelste maal te kampen hadden gehad met een zware brand, werd loodgietersbaas Vincent Cocquyt-Somerlinck de eerste bevelhebber van de brandweer van Brugge. De omvangrijke brand van het gouvernementspaleis tijdens de nacht van 19 op 20 februari 1878, gaf daarbij de doorslag. 

Gereorganiseerd brandweerkorps van Brugge 1881 met in het midden kapitein Vincent Cocquyt.
In het midden vooraan Vincent Cocquyt geflankeerd door de
gebrevetteerde manschappen van het pas gereorganiseerde
brandweerkorps.

Men kwam uiteindelijk tot de vaststelling, dat al het materiaal ontoereikend was. Hervormingen waren een strikte noodzaak geworden, door de aanhoudende kritiek, die bleef aanhouden. In 1878 werden de krachtlijnen uitgestippeld, nadat men te rade was gegaan bij andere steden.


Brandweercommandant Vincent Cocquyt (1850-1904) op oudere leeftijd.
Vincent Cocquyt
1850-1904
Vincent Cocquyt, die te Brugge werd geboren op 19 september 1850, kwam in dienst op 19 februari 1881 en stond aan het hoofd van de toen nog gewapende brandweermannen. Bij de oprichting van het vernieuwde Brugs brandweerkorps, met een getalsterkte van 105 man, werd een heuse verjonging doorgevoerd.

Vóór 1878, was de oudste in dienst zijnde pompier 87 jaar.Vincent werd als kapitein bijgestaan, door luitenant Eugène Braet, eveneens een loodgieter. Tijdens zijn loopbaan, kreeg hij te kampen met zware branden, waaronder:

Een tabak- en sigarenfabrieksbrand werd op 6 april 1893 bestreden van Alfred Storie in de Schutterstraat. De schade bedroeg toen meer dan 100.000 fr. wat neer komt op meer dan 580.000 euro.

Rouwbrief Vincent Cocquyt
Rouwbrief Vincent Cocquyt
1850-1904
Op 7 oktober 1901, brak er brand uit na blikseminslag in de Nederlandse Gist-en Spiritusfabriek, Wulpenstraat 28. De schade was gigantisch voor die tijd. Ruim 250.000 fr. of ongeveer 1.300.000 euro. De directie schonk bij wijze van erkentelijkheid een geldbedrag aan de manschappen, die meegeholpen hadden. Deze fabriek werd nog meerdere malen door brand getroffen.

Eervol ontslag werd aan Vincent Cocquyt in geheime zitting van 30 januari 1904, waarbij de graad van erekapitein werd toegekend, met het toekennen van een eenmalige vergoeding. Zijn eervol ontslag kan wellicht te maken gehad hebben door zijn ziekte, want hij overleed op 28 maart 1904, op de leeftijd van 53 jaar, nauwelijks twee maanden nadat hij het brandweerkorps verlaten had.

Interesse in het boek (392 pag.)? Mail naar noel.de.mey@telenet.be


Linken naar andere Brugse brandweerthema's:
http://noeldemey.blogspot.be/2013/11/brandweerbevelhebber-eugene-braet-1857.html
http://noeldemey.blogspot.be/2013/10/korpsgeneesheer-charles-verte-van-brugge.html
http://noeldemey.blogspot.be/2011/04/de-historie-van-de-brugse-brandweer.html
http://noeldemey.blogspot.be/2009/01/sint-salvatorskathedraal-van-brugge.html
http://noeldemey.blogspot.be/2009/01/stadhuis-van-brugge.html




Bron:
Foto’s, tekst en overlijdensbericht, verzameling Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
© Sabam

vrijdag 8 april 2011

Loterijen, wie begon ermee?

Laatste update: 31-12-2013

Het inrichten van loterijen bestond reeds bij de Hebreeuwen en de Egyptenaren, maar de grootste spelers op de loterij waren de Romeinen. In het oude Rome bestond er een loterij voor het volk en een voor de Senators. De prijzen waren kostelijk en grappig. Men kon tien pond goud winnen of een dode hond. De Chinezen hadden een eigenaardige manier van spelen. Op elk biljet stonden 80 geheimzinnige tekens. De speler plaatse zijn geld op een van die tekens.

In de Middeleeuwen richtte men loterijen in voor eetwaren. Pas onder Catherina de Medici (1519-1589) kwamen de loterijen voor geld tot stand. Men noemde ze tontines, naar de naam van Lorenzo Tonti, die ze had ingevoerd in de 17e eeuw. Tonti richtte er een loterij in met 50.000 loten, welke de opbrengst moest dienen om een houten brug te Parijs, door een nieuwe in steen te vervangen. De loterijen waren de bijzonderste bronnen van inkomsten in Venetië en in Engeland. In Italië brachten zij jaarlijks 100 miljoen op.

Volgens een kroniek van Antwerpen werd er in 1565 ook een rijkelijke loterij gehouden, waar er verre reizen naar diverse bestemmingen kon gewonnen worden: "...Indië, Peru, Constantinopel, Egypte...waarin madame van Parma haar toestemming voor gaf". Tijdens de maand september werd een rijke loterij gehouden, waar er niet alleen gouden en zilveren juwelen konden gewonnen worden, maar ook een verre bestemmingen van wel twintig landen. Een van de gegadigden was Floris Allewijn (°1522?), die ze allemaal aannam.

Op 11 mei 1700, stelde Lodewijk XIV(1638-1715) een loterij in van 10 miljoen, goed voor 440.000 biljetten, met een waarde van 2 Louis die werden uitgegeven. Het grootste te winnen lot was een lijfrente van 20.000 pond. Vervolgens onder Lodewijk XV, kwam er in Frankrijk een Staatsloterij tot stand, die gedurende 80 jaar onafgebroken bleef bestaan. In 1793 werd zij afgeschaft, doch in 1799 weer in voege gebracht, tot dat een wet in 1836 het voor altijd verbood.

De grootste loterij dat ooit werd ingericht was in 1692 door Willem van Engeland (1650-1702), met een kapitaal van 30 miljoen. In Duitsland werd enige tijd later een ganse stad, 29 dorpen, een Paleis, 34.000 bossen en bouwland, met nog twee fabrieken verloot. De eerste brandspuiten van Parijs, verscheidene gasthuizen en openbare gebouwen, werden met de opbrengst van de loterijen, gekocht of opgericht.

Artikel uit de Gazette van Brugge 06-11-1889
Gazette van Brugge 06-11-1889
Belg wint groot lot van 500.000 Bfr. te Parijs in 1889

Tijdens Parijse feesten in 1889, wint dhr. Fransen het groot lot. De uit België afkomstige gehuwde vader van zes kinderen, maar werkzaam in de Franse hoofdstad als drukker, had één enkel loterijbriefje gekocht met nr. 54.639.

Pas met Allerheiligendag bekeek hij zijn biljetje, want hij had eerder er geen aandacht aan gegeven. Hij slaakte een schreeuw van geluk toen hij zag, dat hij het winnende nummer had. Op 1 december 1889 werd het bedrag uitbetaald na de 3% aftrek. Op vraag wat hij met dit bedrag zou doen, antwoordde dhr. Fransen: '...op mijn rente leven.'

Ik vermoed, dat dergelijk bedrag van destijds nu ongeveer 3.000.000 euro moet waard zijn?

Bron:
Zondagsvriend 19-06-1932
GvB woensdag 19 december 1883
GvB woensdag 6 november 1889

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
Noël De Mey
© Sabam

Bruggeling sticht stad in Amerika

Laatste update: 23-04-2014

Uit Amerika werd ooit het volgende geschreven aan het 'Journal de la Société du Brabant':


Bruggeling sticht stad in Amerika. Gazette van Brugge 27-12-1883.
Bruggeling sticht stad in Amerika
Gazette van Brugge 27-12-1883
'In 't jaar 1840 vertrok een Bruggeling met zijn vrouw - ongeveer 28 jaar oud - vanuit Rotterdam naar Amerika. Zij ontscheepten te New-York en trokken naar het Westen. Onze Karel (naam ontbreekt) vond eerst werk in Iowa. Daar was hij werkzaam bij het leggen van de Burlington spoorweg.

Aan het eindpunt gekomen van deze spoorweg, bouwde de man daar een huisje voor hem en zijn jonge vrouw. Vrij vlug begon Karel te boeren en wierf al de Vlamingen uit de streek aan. Op deze manier had de Bruggeling al gauw een dorp gesticht. De naam van de stad werd gegeven aan de naam van de stichter van de stad, namelijk 'Charles City' (Karelstad) (men verwijst naar een kolonist).


Charles City
Charles City
Ten Zuiden van Karelstad, lagen wijd uitgestrekte bossen, die door Bruggeling Karel, gekapt en verder werden uitgebaat. Daar te midden van deze uitgeroeide bossen, stichtte de wakkere man de stad Waterloo, toen vermaard om de handel in het hout voor de bouw.

In 1840 doorsneed de spoorweg, Illinois de Burlington spoorweg op slechts acht mijlen afstand van Waterloo. Karel bouwde op dat punt een nieuwe stad en noemde het 'Onafhankelijkheid'. Een bezoek aan die achtbare man, bracht aan het licht dat hij de stamvader was van 84 kinderen en kleinkinderen, in de door hem drie gestichte steden verspreid. Hij bezat ook een groot fortuin. Men sprak in deze streek alleen maar Vlaams en men hoorde buiten het Vlaams geen andere taal spreken.

Bron:
Gazette van Brugge donderdag 27 december 1883
Noël De Mey

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.
© Sabam

President Grover Cleveland

Een beul als president in de Verenigde Staten

Bij de verkiezing van een nieuwe president in Amerika heerste er grote opschudding destijds in de Verenigde Staten. Toen men volop bezig was met de voorbereidselen tot de verkiezingen en benoeming van een nieuwe president, bleek dat een der kandidaten, M. Cleveland de functie zou vervuld hebben van beul. Er werden officiële verslagen daarvan ontdekt uit 1872, die ophangingen bevestigden, uitgevoerd door Cleveland.

Vervolgens verweet men hem Sherif' te zijn geweest. Eigenlijk was dit nog niets, ware het niet dat in Amerika de Sherif ook het ambt vervuld van beul. Hij vervulde namelijk zo goed zijn ambt te Buffalo, dat de burgers hem enige jaren later verkozen tot mayor (burgemeester).

Bovendien kreeg hij het verwijt naar zijn hoofd geslingerd, dat hij niet getrouwd was en dat hij niets van politiek afwist. In 1882 werd hij gekozen tot gouverneur van de Staat New-York. Nu was er de vrees dat de Verenigde Staten een gewezen beul tot president zou kunnen gekozen worden.

Bron:
Gazette van Brugge vrijdag 31 oktober 1884
Noël De Mey
© Sabam

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

dinsdag 5 april 2011

De historie van de Brugse brandweer

Laatste update: 01-01-2014

Historisch overzicht van de brandweer van Brugge
De historie van de Brugse brandweer

Het schilderij geeft een beknopte weergave weer over het rijkelijk brandweerverleden van de Brugse brandweer. We doorlopen de eeuwen en proberen een beeld weer te geven van hoe de brandweer vroeger werd verwittigd bij het eerste alarm. Dit gebeurde door middel van een toorts bij nacht of vlag bij dag.

Het Belfort, dat als praalmonument symbool stond voor enige welstand, werd in 1280, 1493 en 1741 door zware branden getroffen. Heel wat oorkonden en andere waardevolle archiefstukken gingen er verloren.

De bedelorden moesten destijds in opdracht van de stad en andere steden meehelpen blussen en kregen daarvoor speciale kledij ter beschikking. Dit was niet alleen voor Brugge het geval maar ook in andere steden. Vervolgens hielpen zij niet alleen mee in de brandbestrijding, maar verzorgden zij de zieken en begeleiden de overledenen naar hun laatste rustplaats.


Parijse bedelorden op weg naar de brand met hun pomp
Kapucijnen door de straten
van Parijs op weg naar een
brand.
Historia Generalis Ordinis
Fratum Minorium
Cappuccinorium
Het gouvernementspaleis werd op 20 februari 1878 zo goed als volledig door brand verwoest. Paard en kar waren destijds ontoereikend voor het bestrijden van dergelijke brandrampen. Hier werd de hulp ingeroepen van de brandweerkorpsen van Brussel, Gent en Oostende, die met hun materiaal en manschappen per trein tot in Brugge werden gebracht.

De St.-Salvatorskathedraal onderging meermaals dezelfde onheilstaferelen. Meerdere bronnen melden, dat deze voormalige kerk in 1116, in 1163 (instorting van de toren), 1183, 1358 en in 1839 door brand werd getroffen. De brand van 1839 werd op doek vereeuwigd door kunstschilder Antoine Laurent Joostens (1820-1886)en bevind zich opnieuw in de St.-Salvatorskathedraal. Verder is er nog een melding van een kleine beginbrand in 1902 en een meer verontrustende brand in 1949.

In 1894 bezoekt koning Leopold II (1835-1909) Brugge. Samen met toenmalig burgemeester Amedée Visart de Bocarmé (1835-1924) reikt men onderscheidingen uit aan verdienstelijke brandweerlui. Deze werden destijds als gebuurteexperten aanzien.

De brand van de Sint-Salvatorskathedraal in 1839
Schilderij, dat de brand weergeeft van de
Sint-Salvatorskathedraal, geschilderd door
Antoine Laurent Joostens (1820-1886) als
eerbetoon aan zijn zwager Charles De Wulf
(1802-1896), die als burger de bevelen gaf.
Het stadhuis van Brugge werd gedeeltelijk in 1946 door brand vernietigd en betekende voor de stad een enorm verlies aan vele documenten, archiefstukken en waardevolle schilderijen.

Maar bij het bestrijden van branden en ander onheil, is er niets erger dan in een vuurstrijd één van je vredesoldaten te verliezen. Het brandweerkorps van Brugge moest in 1951, van brandweerman 1ste klas Richard De Backer eervol afscheid nemen, nadat hij bezweken was aan zijn opgelopen ernstige verwondingen tijdens het bestrijden van een kasteelbrand 'Ter Poele' te Sint-Pieters-Brugge.

Buiten het ten strijde trekken tegen het vuur, is waterellende eveneens een grote boosdoener. Het jaar 1993 werd dan ook gekenmerkt als een heus provinciaal rampjaar. Hulp werd niet alleen ingeroepen van de civiele bescherming, maar ook werden de andere stadsdiensten massaal ingeschakeld.


Brandweerkazerne (Tolhuis) Jan van Eyckplein
Voormalige Brugse brandweerkazerne
(Tolhuis), gelegen aan het
Jan van Eyckplein
Het schilderij bovenaan, dat op basis van paintbrushing tot stand werd gebracht, geeft tevens een weerspiegeling van de vier brandweerkazernes van Brugge weer. Deze zijn:

"De brandweerkazerne aan het Jan van Eyckplein, waar nu de provinciale bibliotheek gevestigd is (Tolhuis), de voormalige verdwenen voorpost te Zeebrugge, de Walweinkazerne, die nu als voorpost ingevuld staat en de hoofdkazerne te Dudzele".



Vismarkt van Brugge met de stokvisstallen. Uiterst rechts was een speytekot, de voorloper van de brandweerkazerne.
Een tekening uit 1850 van E.S.Cole (Engeland). We zien de stokvisstallen met
uiterst rechts het speytekot, waarin blusmateriaal lag. De bouw dateert van 1806
 en de sloophamer sloeg toe in 1866.
(Met dan aan dhr. Jaak Rau)

Interesse in het boek (392 pag.)? Mail naar noel.de.mey@telenet.be

Linken:
http://noeldemey.blogspot.be/2011/04/vincent-cocquyt-1850-1904.html
http://noeldemey.blogspot.be/2013/11/brandweerbevelhebber-eugene-braet-1857.html
http://noeldemey.blogspot.be/2013/10/korpsgeneesheer-charles-verte-van-brugge.html








Bronnen:
Brugge Brandt - Het brandt weer, mannen!
Historia Generalis Ordinis Fratum Minorium Cappuccinorium
Noël De Mey
© Sabam

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

zaterdag 2 april 2011

Orgelspeler overlijd tijdens de kerdienst te Brugge

De orgelspeler van de Sint-Salvatorskathedraal van Brugge, dhr. De Jaegher, die bezig was met het orgel te bespelen tijdens de H.Mis van 07u00, kwam te overlijden op maandag 6 oktober 1884. Dhr. De Jaegher was van geboorte afkomstig van Oostrozebeke en werd in 1822 geboren. Hij was een gekend en uitmuntend muzikant.

GvB maandag 6 oktober 1884
Noël De Mey
© Sabam

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.

Wonderbare genezing te Emelgem

Vanuit Emelgem liet men weten, dat op zondag 21 september 1884, in de Sint-Antoniuswijk een plechtigheid had plaatsgehad, welke ter ere van Maria diende ruchtbaar te worden gemaakt. Wat was eigenlijk het voorval?

Ongeveer twee jaar tevoren werd een jongen van 12 à 13 jaar die op deze wijk woonde, erg ziek, dat hij zijn eerste communie op zijn ziekbed moest doen. Het verbeterde enigszins, maar kon niet meer gaan, tenzij met krukken en dan nog met heel veel moeite. Van het begin af aan stelde de jongen zijn vertrouwen aan O.L.Vrouwe. Hij had altijd zijn rozenhoedje bij zich en bad dagelijks de Rozenkrans. Op de Sint-Antoniuswijk is er een zusterschool, aan welke een kapel ter ere van de H. Antonius is gebouwd, alsook een grot met het beeld van O.L.Vrouw van Lourdes.

De zieke jongen Dekerschieter genaamd, die zijn ouders niet gerust liet, overtuigde om met hen tot aan de kapel van de zusterschool te gaan. Hij was er ter stelligste van overtuigd te genezen. De ouders voldeden aan zijn verzoek en voerden hem met een wagentje tot aan de voornoemde kapel. Daar bad de jongen met grote vurigheid en zegde tot de O.L.Vrouw: 'Gij zijt mijne Moeder en gij moet mij helpen'. Hij stak zijn krukken door de tralies en ging naar huis. Vanaf dat moment had de jongen geen hulp meer nodig.

Deze wonderbare genezing verwekte heel wat bewondering onder de parochianen, maar vooral bij de inwoners van de gemelde wijk. Op de bewuste zondag had dan de openbare dankbaarheidshulde plaats dat door een grote menigte rond de zusterschool werd gevolgd. De pastoor verhaalde de belangrijkheid van het voorval en het voorwerp der plechtigheid. Vervolgens ging men processiegewijs naar de kapel en de grot, onder het zingen van het 'Magnificat', waarbij de genezen jongeling en zijn ouders een sierlijke kaars offerden.

GvB maandag 29 september 1884
Noël De Mey
© Sabam

Op de hoogte blijven?  Abonneer je op mijn feed.